Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde, in het bijzonder wat betreft het daderschap, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van feit 1 heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017057416-1 van 28 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , inclusief foto’s (doorgenummerde pagina’s 21 tot en met 46).
[benadeelde]:
(het hof begrijpt: de bankpas van deze rekening),Rabo kindrekening
(het hof begrijpt: de bankpas van deze rekening),pincode visa, pincode privérekening, pincode zakelijke rekening;
(het hof begrijpt: 21 maart 2017).Automaatnummer 313510, Rabobank Osdorpplein voor camerabeelden.
mededeling van verbalisant:
als mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
NJ2017/277 en 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652,
NJ2017/278, gezamenlijk voorzien van een noot van Kooijmans, algemene beschouwingen heeft geformuleerd, die het volgende inhouden:
tweede middelklaagt dat het hof bij het voorwaardelijke strafdeel het locatiegebod als bijzondere voorwaarde te ruim heeft geformuleerd, nu “de invulling in de tijd geheel aan de discretie van de reclassering wordt overgelaten”.
gevangenisstrafvoor de duur van
60 (zestig) dagen.
42 (tweeënveertig) dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stb. 2017, 82 (Wet USB). [8] Het tweede lid is niet gewijzigd. Het derde lid is inhoudelijk ongewijzigd vernummerd tot het vierde lid. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat art. 12 IVBPR Pro en art. 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM in de bedoelde periode geen wijziging hebben ondergaan.
3. Locatieverbod
benemingen dat om die reden het opleggen van vormen van zeer vergaande vrijheids
beperkingin de regel niet voor de hand ligt. Kennelijk wil zij met deze opmerking voorkomen dat een zeer vergaande vrijheidsbeperking als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd en deze achteraf de iure wordt uitgelegd als een vorm van vrijheidsbeneming.
beperkingen wanneer van (een vorm van) vrijheids
beneming. Bij beperking van de vrijheid gaat het om een inbreuk op het recht van vrije verplaatsing (“freedom of movement”) zoals bedoeld in art. 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM. Vrijheidsbeneming (of -ontneming) is een inbreuk op het recht op persoonlijke vrijheid. Oplegging van een sanctiemodaliteit die vrijheids
benemingimpliceert, is zonder meer enkel voorbehouden aan de rechter (of, zo men wil, de rechterlijke macht; zie art. 113, derde lid, van de Grondwet).
beperkingals bedoeld in art. 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM. Ik attendeer op de zaak De Tommaso v. Italië, waarin het EHRM (GK) het volgende overweegt: [12]
Guzzardicase, it has dealt with a number of cases (
Raimondo, cited above, § 39;
Labita v. Italy[GC], no. 26772/95, § 193, ECHR 2000‑IV;
Vito Sante Santoro v. Italy, no. 36681/97, § 37, ECHR 2004‑VI; see also,
mutatis mutandis,
Villa, cited above, §§ 43-44, and
S.M. v. Italy, cited above, §§ 22-23) concerning special supervision together with a compulsory residence order and other associated restrictions (not leaving home at night, not travelling away from the place of residence, not going to bars, nightclubs, amusement arcades or brothels or attending public meetings, not associating with individuals who had a criminal record and who were subject to preventive measures). As none of those cases involved special circumstances comparable to those in
Guzzardi, the Court examined the preventive measures in question under Article 2 of Protocol No. 4.
Guzzardicase, he was not forced to live within a restricted area and was not unable to make social contacts.
Buzadji v. the Republic of Moldova[GC], no. 23755/07, § 104, ECHR 2016), to amount to deprivation of liberty within the meaning of Article 5 of the Convention (see
N.C. v. Italy, no. 24952/94, § 33, 11 January 2001;
Nikolova v. Bulgaria (no. 2), no. 40896/98, §§ 60 and 74, 30 September 2004;
Danov v. Bulgaria,no. 56796/00, §§ 61 and 80, 26 October 2006; and
Ninescu v. the Republic of Moldova, no. 47306/07, § 53, 15 July 2014). [….].
benemendmoeten worden beschouwd. Kennelijk heeft de meergenoemde memorie van toelichting die mogelijkheid voor ogen gehad met haar opmerking onder het hoofd Locatiegebod dat de rechter door te kiezen voor een voorwaardelijke vrijheidsstraf daarmee nu juist niet kiest voor vrijheidsbeneming en dat het opleggen van vormen van zeer vergaande vrijheidsbeperking in de regel niet voor de hand ligt.
NJ2009/320, m.nt. Keijzer (het “Caribisch reisverbod”, zoals de casus wel wordt aangeduid; het betrof een beroep in cassatie in het belang der wet tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba). De bij het vonnis van 22 april 2008 gestelde bijzondere voorwaarde hield in dat de verdachte tot 27 oktober 2008 de Nederlandse Antillen niet mocht verlaten (reizen binnen de Nederlandse Antillen was wel toegestaan). Dit “Caribisch reisverbod” zou ook kunnen worden gezien als een gebiedsgebod (blijven binnen de Nederlandse Antillen). Aan deze bijzondere voorwaarde was art. 17c, tweede lid onder e, SrNA (oud) ten grondslag gelegd, dat als volgt luidde: “Bij toepassing van artikel 17a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld: [...] e. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen." [16] Het stellen van deze voorwaarde was volgens de Hoge Raad in het licht van art. 12 IVBPR Pro en art. 2, derde en vierde lid, van het Vierde Protocol bij het EVRM ontoelaatbaar, gelet op de duur en de mate waarin zij de verdachte in haar bewegingsvrijheid beperkte. Ten opzichte van zijn arrest van 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7918,
NJ2008/33, m.nt. Reijntjes voegde hij nu iets belangrijks toe, namelijk dat aan een dergelijke ingrijpende inbreuk in de bewegingsvrijheid van de verdachte een wettelijke regeling ten grondslag moet liggen die voldoet aan de uit art. 2, derde en vierde lid, van het Vierde Protocol bij het EVRM voortvloeiende eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid. Art. 17c, tweede lid, onder e, SrNa (oud) kon niet als zo'n regeling gelden. Overigens was in het genoemde arrest van 6 november 2007 aan een drugskoerier de bijzondere voorwaarde opgelegd (kort gezegd) dat het hem verboden was om uit enig deel van het Koninkrijk, in het bijzonder ook vanuit Curaçao, te reizen, behoudens het geval dat daarvoor door het openbaar ministerie ontheffing was verleend. Dit betekende feitelijk dat de veroordeelde zonder zo een ontheffing gedurende de proeftijd van twee jaren (in het bijzonder) Curaçao niet mocht verlaten, hetgeen eveneens als een gebiedsgebod kan worden aangemerkt. Ook deze voorwaarde vond de Hoge Raad in het licht van art. 12 IVBPR Pro en art. 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM ontoelaatbaar. Een dergelijke voorwaarde kan, aldus de Hoge Raad in voormeld arrest uit 2007, gelet op de duur en de mate waarin zij de verdachte in zijn bewegingsvrijheid beperkt niet worden aangemerkt als een voorwaarde die een gedraging betreft waartoe de verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden zou kunnen worden geacht.
NJ2017/389 was sprake van een contactverbod (art. 14c, tweede lid onder 5° c.q. 14°, Sr)
.De verdachte was veroordeeld voor onder andere belaging en bedreiging van zijn (ex-) partners en hem was in het verband van het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf van 150 dagen ook de bijzondere voorwaarde opgelegd dat hij “gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn (ex-) partners, dan wel relaties van voornoemde personen”. De klacht in cassatie hield in dat deze bijzondere voorwaarde te onbepaald was. De Hoge Raad deelde dat standpunt. De gestelde bijzondere voorwaarde is in strijd met art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr “voor zover deze betrekking heeft op "relaties van voornoemde personen", omdat in zoverre in deze voorwaarde niet een voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd”. [18] De Hoge Raad vernietigde de bijzondere voorwaarde ten aanzien van het onderdeel “relaties van”. [19] Een ander voorbeeld van een zaak met een onduidelijk omschreven contactverbod als bijzondere voorwaarde geeft HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667,
NJ2018/311, m.nt. Wolswijk. De verdachte was ter zake van belaging, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met (onder meer) de bijzondere voorwaarde dat het hem “gedurende de volledige proeftijd (van drie jaren, AG) verboden is contact te leggen of te laten leggen met A en/of B en/of C BV of diens rechtsopvolger(s), alsmede met zakelijke relaties van evengenoemde personen en/of evengenoemd bedrijf”. Het verbaast niet dat ook deze bijzondere voorwaarde door de Hoge Raad werd vernietigd voor zover deze betrekking had op “zakelijke relaties van”, omdat sprake was van een niet precies genoeg geformuleerd gedragsvoorschrift. [20]
rechterte bepalen termijn. De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en voor welke duur is eveneens voorbehouden aan de rechter, aldus HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449,
NJ2013/132 en HR 30 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0262,
NJ2007/97. [21]
maatregel(art. 38v, tweede lid onder a, Sr) om te wijzen op het arrest van HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338,
NJ2019/229, m.nt. Vellinga. Centraal daarin stond het gebiedsverbod (dit is in de bewoordingen van de meergenoemde memorie van toelichting de spiegelzijde van het gebiedsgebod): de veroordeelde mocht zich volgens het gebiedsverbod niet ophouden binnen een straal van één kilometer van de woonadressen van de betrokkenen. Het woonadres van een van hen was echter onbekend, en dat was in strijd met art. 38v, tweede lid onder a, Sr, omdat daarbij niet een voldoende precieze omschrijving van het gebied waarbinnen de verdachte zich niet mag bevinden, is geformuleerd. De Hoge Raad overwoog verder: “Anders dan het Hof kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, is de enkele aanduiding van een (onbekend) woonadres van een bepaalde persoon niet een voldoende precieze omschrijving van het gebied waarin de verdachte zich niet mag ophouden, en moet de rechter dat gebied in zijn uitspraak aanduiden, waarbij de wettelijke regeling niet de mogelijkheid biedt om die aanduiding nadien te wijzigen”. [23]