ECLI:NL:HR:2019:767

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
20 mei 2019
Zaaknummer
17/06135
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in cassatie wegens ontbreken middelen

In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Er zijn echter geen middelen van cassatie namens de verdachte ingediend binnen de bij wet gestelde termijn, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat vanwege het niet naleven van het voorschrift omtrent het indienen van middelen van cassatie, de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 21 mei 2019.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen van cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/06135
Datum21 mei 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 december 2017, nummer 22/004876-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 mei 2019.