Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Er zijn echter geen middelen van cassatie namens de verdachte ingediend binnen de bij wet gestelde termijn, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat vanwege het niet naleven van het voorschrift omtrent het indienen van middelen van cassatie, de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 21 mei 2019.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen van cassatie.