ECLI:NL:PHR:2019:292
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 december 2017 de verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid bij het medeplegen van het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag. De opgelegde straf werd gewijzigd in een taakstraf van 40 uur, vervangbaar door 20 dagen hechtenis.
De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep is op 14 april 2018 betekend, waarna de wettelijke termijn van twee maanden voor het indienen van schriftuur houdende middelen op 14 juni 2018 afliep.
Binnen deze termijn zijn geen middelen ingediend door de raadsman van de verdachte. Hierdoor kan de Hoge Raad de verdachte niet ontvankelijk verklaren in het cassatieberoep, conform artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.