Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Art. 140 Rv Pro bepaalt:
4.Beslissing
24 mei 2019.
Hoge Raad
In deze civiele zaak ging het om de toepasselijkheid van art. 140 lid 3 Rv Pro in een verstekprocedure waarbij een derde zich aan de zijde van de gedaagde had gevoegd. De kantonrechter had verstek verleend tegen de gedaagde en de derde was toegelaten als gevoegde partij. Het hof oordeelde dat het vonnis als een vonnis op tegenspraak moest worden beschouwd, waardoor verzet niet mogelijk was en alleen hoger beroep openstond.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verduidelijkte dat een partij die zich voegt of tussentreedt procespartij wordt en dus bevoegd is rechtsmiddelen aan te wenden. De regeling van art. 140 lid 3 Rv Pro voorkomt tegenstrijdige beslissingen door het uitsluiten van verzet tegen vonnissen op tegenspraak. De Hoge Raad stelde dat deze regeling ook overeenkomstig moet worden toegepast bij voeging of tussenkomst.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de partij die wordt toegelaten in het geding verplicht is de niet verschenen gedaagde te informeren over deze voeging. Indien de gedaagde niet op tijd is geïnformeerd en het vonnis niet persoonlijk is betekend, kan de niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de appeltermijn achterwege blijven, mits het hoger beroep binnen veertien dagen na kennisname wordt ingesteld.
De Hoge Raad wees de klacht van de eiser af, maar gaf hem alsnog de gelegenheid binnen veertien dagen hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gedaagde krijgt alsnog de mogelijkheid om binnen veertien dagen hoger beroep in te stellen.