In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2012 opgelegd aan belanghebbende.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld met meerdere klachten. De Hoge Raad heeft het principale middel van de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat dit middel niet tot cassatie kan leiden, omdat het geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het incidentele beroep van belanghebbende is kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale beroep tot vernietiging van het hof zou leiden. Omdat dit niet het geval is, vervalt het incidentele beroep op grond van artikel 8:112, lid 2, Awb.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond. Het arrest is op 24 mei 2019 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.