Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 september 2018, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2015 had behandeld.
De Hoge Raad ontving de klachten van belanghebbende en het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, evenals een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling concludeert de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie is nadere motivering niet vereist omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 24 mei 2019 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.