Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
28 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Gelderland. De verdachte werd verdacht van feitelijke leiding geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift en witwassen.
De aanvraag tot herziening werd ingediend nadat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk had verklaard wegens te late indiening. De verdediging stelde dat het hoger beroep tijdig was ingesteld door een fax aan de griffie van de rechtbank op de dag van het vonnis, die als bijzondere volmacht tot hoger beroep kon worden uitgelegd.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het arrest van het hof geen uitspraak houdende veroordeling is in de zin van artikel 457, eerste lid, Sv, waardoor de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betekent dat de herzieningsprocedure niet kan worden voortgezet. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere jurisprudentie dat een niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep geen veroordeling inhoudt en dus niet vatbaar is voor herziening.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk omdat het bestreden arrest geen veroordeling inhoudt.