Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 december 2017, waarin hij werd veroordeeld voor eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens de rechtmatige uitoefening van diens bediening. Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte, bijgestaan door zijn advocaat.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. De Hoge Raad acht nadere motivering niet noodzakelijk omdat het middel geen rechtsvragen bevat die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd. De uitspraak is gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in aanwezigheid van de waarnemend griffier S.P. Bakker.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor eenvoudige belediging.