ECLI:NL:PHR:2020:146

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2020
Publicatiedatum
17 februari 2020
Zaaknummer
18/05100
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 6 EVRMArt. 8 lid 2 sub b Wegenverkeerswet 1994Art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van strafmotivering bij onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens rijden onder invloed en ongeldigverklaring rijbewijs

In deze zaak werd de verdachte veroordeeld door het hof Arnhem-Leeuwarden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken en een rijontzegging van twaalf maanden wegens rijden onder invloed en rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. De verdachte veroorzaakte een eenzijdig verkeersongeval waarbij hij ernstig letsel opliep. Het hof baseerde zijn strafoplegging mede op de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de recidive van de verdachte.

De verdediging stelde in cassatie dat de strafmotivering onvoldoende was omdat het hof niet expliciet had vermeld dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegde, zoals vereist volgens artikel 359, zesde lid, Sv. De advocaat-generaal stelde dat de strafmotivering in haar geheel bezien wel voldeed, omdat het hof de LOVS-orientatiepunten aanhaalde die een gevangenisstraf voorschrijven en de recidive als strafverzwarend element meenam.

Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad, wat een schending van het recht op een redelijke termijn zou betekenen. De advocaat-generaal erkende de overschrijding, maar achtte dat gezien de korte duur van de opgelegde straf niet aanleiding gaf tot rechtsgevolgen.

De Hoge Raad volgde de conclusie van de advocaat-generaal en verwierp het cassatieberoep. De strafmotivering voldeed aan de wettelijke eisen en de overschrijding van de inzendtermijn leidde niet tot cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/05100
Zitting3 maart 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geoortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 oktober 2018 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 maart 2018, waarbij de verdachte wegens 1. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken en (ter zake van feit 1) een rijontzegging voor de duur van twaalf maanden, bevestigd “met inachtneming van het […] overwogene met betrekking tot de strafmotivering”.
Namens de verdachte heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Ik bespreek eerst het
tweede middel. Dit middel klaagt dat het hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd door in strijd met art. 359, zesde lid, Sv niet in het bijzonder de redenen op te geven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
Als gezegd heeft het hof het vonnis van de politierechter bevestigd, met aanvulling van de gronden voor zover het de strafmotivering betreft. De strafmotivering van de politierechter luidt:
“De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd.
De politierechter let ook op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De politierechter heeft ook rekening gehouden met het genoemde uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen 5 jaar eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.”
In aanvulling daarop heeft het hof overwogen:
“In de nacht van 23 op 24 januari 2017 heeft de verdachte als bestuurder van een bestelauto nabij het Defensiedok te Nieuwegein een eenzijdig ongeval veroorzaakt en is met zijn bestelauto in een sloot terecht gekomen. De verdachte heeft aan dit ongeval aanzienlijk letsel overgehouden, te weten tien gebroken ribben. Ook zijn auto was ernstig beschadigd. Na onderzoek door de politie is gebleken dat de verdachte had gereden na het gebruik van alcohol. Het alcoholgehalte van zijn bloed bleek ten tijde van het bloedonderzoek 1,05 milligram alcohol per milliliter bloed te zijn. Door dit gedrag heeft de verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeverkeersdeelnemers in gevaar gebracht en voorts zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Voorts is gebleken dat de verdachte reed terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft zich derhalve niets aangetrokken van de jegens hem genomen maatregel van ongeldigverklaring.
De Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht houden ten aanzien van overtreding van artikel 8, tweede lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 (1,01 tot 1,15 milligram alcohol per milliliter bloed) in een geldboete van € 550,-. Ten aanzien van overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 gaan voornoemde oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Het hof neemt deze oriëntatiepunten tot uitgangspunt bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straffen.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 10 oktober 2018 is hij meermalen onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de onderhavige strafbare feiten.
Gelet op de documentatie van de verdachte - recidive heeft een strafverhogend effect met betrekking tot voormelde oriëntatiepunten - sluit het hof met de advocaat-generaal aan bij de door de politierechter in eerste aanleg opgelegde straffen. Daaraan doet niet af dat de verdachte — naar eigen zeggen — inmiddels het gebruik van alcohol heeft afgezworen.”
5. Art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv luidt:
“Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.”
6. Aan de wetsgeschiedenis kan, voor zover hier van belang, het volgende worden ontleend:
"Evenals het zesde lid vormt het zevende lid een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen. Worden dergelijke straffen geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijk opgelegd, dan moet worden gemotiveerd waarom niet met een voorwaardelijke straf kon worden volstaan. (...) De leden 6 en 7 vormen een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen. Acht de rechter desondanks een vrijheidsstraf (dan wel ontzettings- of ontzeggingsstraf) op zijn plaats, dan dient hij zo duidelijk mogelijk te maken op welke gronden die overtuiging steunt."
(
Kamerstukken II1977/78, 15 012, nr. 3, p. 54-55)
alsmede:
"De in de nota van wijzigingen voorgestelde tekst van artikel 359, zesde lid, strekt ertoe de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf steeds tot een punt van aparte en nadere afweging door de rechter te maken."
(
Kamerstukken II1981/82, 15 012, nr. 5, p. 26)”
7. Vooropgesteld dient te worden dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd dat niet de juiste straf is opgelegd en evenmin dat de straf niet beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. [1] Wat in dit verband in cassatie wordt getoetst, is of sprake is van een niet onbegrijpelijke en toereikende motivering als bedoeld in art. 359 Sv Pro.
8. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het vereiste van art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv aldus ingevuld “dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [2] De motivering van een op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voldoet in ieder geval niet aan dit vereiste, indien de rechter slechts verwijst naar de “na te melden straf” of, de strafmotivering afsluitend, overweegt dat het “alles afwegende de volgende straffen passend en geboden acht”. [3] Daarmee wordt immers in de strafmotivering niet expliciet benoemd dat de straf een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf betreft. [4] Evenmin doorstaat de cassatietoets de standaardoverweging waarin slechts wordt overwogen dat “de na te melden strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte”, noch de overweging waarin enkel wordt verwezen naar de eis van de officier van justitie. [5]
9. In de onderhavige zaak heeft het hof in zijn strafmotivering niet met zoveel woorden gezegd dat de op te leggen straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is. De vraag is nu of zulks tot cassatie moet leiden. Ik meen al met al van niet. Dat standpunt berust op het navolgende.
10. Nadat het hof het in gevaar brengen van de verkeersveiligheid door het gedrag van de verdachte voorop stelt, neemt het hof in zijn strafmotivering expliciet de oriëntatiepunten van het LOVS tot uitgangspunt. Het hof benadrukt dat deze oriëntatiepunten ter zake van feit 2 uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Een blik op die oriëntatiepunten laat zien dat daarin een gevangenisstraf van twee weken
onvoorwaardelijktot uitgangspunt heeft te gelden. Het is niet voor betwisting vatbaar dat het hof op dat uitgangspunt ‘is gaan zitten’, het hof zegt immers met zoveel woorden dat het deze oriëntatiepunten tot uitgangspunt neemt bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straffen. Mogelijk heeft het hof in de strafmotivering per abuis het adjectief onvoorwaardelijk onvermeld gelaten of – door te verwijzen naar die oriëntatiepunten – het eenvoudigweg als vanzelfsprekend geacht dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf betreft. Vervolgens weegt het hof strafverzwarend mee dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat deze veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden zich aan de onderhavige feiten schuldig te maken.
11. Door met name (1) de oriëntatiepunten van het LOVS aan te halen, (2) te benoemen dat deze oriëntatiepunten in een geval als het onderhavige een gevangenisstraf voorschrijven (dat wil dus zeggen: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, EH) [6] en (3) te wijzen op de recidive zoals deze blijkt uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, heeft het hof mijns inziens alles bij elkaar genomen (i) voldoende in de strafmotivering tot uitdrukking gebracht dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen en (ii) die sanctieoplegging afdoende verbonden met in de strafmotivering opgegeven redenen. Anders gezegd: de strafmotivering in haar geheel bezien maakt naar het mij voorkomt dat het hof daarmee expliciet genoeg heeft doen blijken onder ogen te hebben gezien dat het een straf oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. En hoewel daarover niet expliciet wordt geklaagd, merk ik op dat in de strafmotivering tevens doorklinkt waarom in deze zaak niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Met dit een en ander voldoet de strafmotivering van het hof aan de voorschriften van art. 359, zesde lid, Sv en is in dit verband geen sprake van een verzuim dat krachtens art. 359, achtste lid, Sv moet leiden tot nietigheid. [7]
12. Het tweede middel faalt derhalve.
13. Het
eerste middelbehelst de klacht dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.
14. Het middel is gegrond. Namens de verdachte is op 12 november 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 juli 2019 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met bijna twee weken overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Gelet echter op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, ga ik ervan uit dat de Hoge Raad geen aanleiding zal zien aan deze schending enig rechtsgevolg te verbinden en met dat oordeel zal volstaan. [8]
15. Het eerste middel is gegrond, maar leidt niet tot cassatie. Het tweede middel faalt.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst,
2.HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191,
3.Zie HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:2138 en HR 26 september 2017 ECLI:NL:HR:2017:2495.
4.Vgl. HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:35.
5.Zie HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196.
6.Het hof volstaat, anders dan in HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196 (zie noot 5), hier niet enkel met een verwijzing naar de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf (waarbij het aansluit).
7.Vgl. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852 en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:82.
8.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,