Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde en het vijfde middel
art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
4.Beslissing
28 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een moord op een vriend en zakenpartner en de verbranding van het stoffelijk overschot in een loods in Maastricht in 2012. Verdachte werd in voorlopige hechtenis genomen en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaar door het hof.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep, maar verbond hieraan geen consequenties omdat het uitging van een termijn van twee jaar per fase. De Hoge Raad oordeelt dat dit uitgangspunt onjuist is bij voorlopige hechtenis, waarbij de redelijke termijn per fase 16 maanden bedraagt.
Daarnaast is ook in cassatie de redelijke termijn overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak na meer dan 16 maanden volgde. Dit leidt tot een vermindering van de straf.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor de duur van de straf en vermindert deze tot 23 jaar en 3 maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 jaar naar 23 jaar en 3 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.