Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
4 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan drie voorwaardelijk, wegens het meermalen rijden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en niet was teruggegeven. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde het vonnis van de Politierechter.
De Hoge Raad oordeelde dat de strafmotivering niet voldeed aan artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat daarin niet specifiek werd vermeld welke redenen tot de keuze van de vrijheidsbenemende straf hadden geleid. Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359, achtste lid, tot nietigheid van het vonnis.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing over de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest vanwege onvoldoende strafmotivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde strafoplegging.