Belanghebbende, een vennootschap onder firma met een melkveebedrijf, maakte tot 1 juli 2013 gebruik van de landbouwregeling waardoor zij geen omzetbelasting verschuldigd was over de melkproductie. Na beëindiging van deze regeling verzocht zij om teruggaaf van omzetbelasting over de opfokkosten van kalveren en melkkoeien. Het hof oordeelde dat de opfokkosten niet konden leiden tot herziening van de omzetbelasting omdat deze kosten werden gezien als verbruikskosten voor het in goede staat houden van de kalveren.
De Hoge Raad stelde echter vast dat het opfokken van kalveren tot melkkoe moet worden aangemerkt als het ontwikkelen van een bedrijfsmiddel, waarop afschrijving mogelijk is. Dit betekent dat de omzetbelasting over de opfokkosten in aanmerking komt voor herziening op het moment dat de dieren melkkoe worden. De eerdere beoordeling van het hof was daarom onjuist.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van het cassatieproces, terwijl de Inspecteur werd veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de kosten in hoger beroep. De zaak werd afgedaan met een duidelijke uitspraak over de toepassing van de herzieningsregels bij beëindiging van de landbouwregeling.