Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Ten geleide
2.De landbouwregeling in het kort
3.Het geschil
Vallen belanghebbenden onder het toepassingsbereik van de landbouwregeling van de Btw-richtlijn en de Wet OB?
omvangvan de voorbelasting die de belastingplichtige krachtens artikel 168 Btw Pro-richtlijn oorspronkelijk mag aftrekken, en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden, maar is niet van invloed op het
ontstaanvan het recht op aftrek. [21]
Evita-K [29] , waarin het HvJ overwoog (cursivering door mij):
Bijgevolg kunnen de artikelen 184 en 185, lid 1, van richtlijn 2006/112 slechts van toepassing zijn wanneer voor een belastbare handeling de voorbelasting oorspronkelijk is afgetrokken, dat wil zeggen alleen ingeval de betrokken belastingplichtige vooraf recht op aftrek van de voorbelasting heeft gehad onder de in artikel 168, sub a, van deze richtlijn voorziene voorwaarden.”
Varna Holideis [30] waarin het HvJ overweegt (cursivering door mij):
neemt dit niet weg dat het herzieningsmechanisme beoogt de in het verleden toegepaste aftrek te corrigeren.”
Lennartz [31] en
Waterschaps Zeeuws Vlaanderen [32] . Ik citeer uit laatstgenoemd arrest:
wanneer zij op het tijdstip van de aanschaf van een investeringsgoed als overheid handelen, ten aanzien van dat goed in beginsel geen recht op aftrek hebben.
Uudenkaupungin kaupunki, met name punt 42). Het HvJ heeft echter in
Commissie/Portugal [35] in duidelijke bewoordingen overwogen dat de forfaitaire regeling voor landbouwers uitdrukkelijk géén vrijstellingsregeling is:
Commissie/Portugal(en in de hiervoor geciteerde punten 46 tot en met 48 uit de conclusie van A-G Kokott) leidt mijns inziens namelijk zonder twijfel tot de slotsom dat landbouwwerkzaamheden economische activiteiten zijn. Bij het aanmerken als niet-economische prestatie zou de btw-voordruk immers, net als bij een belastingvrijstelling, niet ongedaan kunnen worden gemaakt en zou de neutraliteit van het gemeenschappelijke stelsel van de btw dus niet kunnen worden verzekerd. Er bestaat geen recht op aftrek van de voorbelasting over de door een belastingplichtige gemaakte kosten wanneer deze belasting betrekking heeft op activiteiten die wegens de niet-economische aard ervan buiten de werkingssfeer van de Zesde richtlijn [39] vallen. [40] Uit punt 29 van het arrest
Harbs [41] volgt dat compensatie wel een vorm van aftrek is (cursivering door mij):
zij sluit elke andere vorm van aftrek van als voorbelasting betaalde BTW uit.”
forfaitaire compensatiepercentageop de omzet van de forfaitair belaste landbouwer in de in artikel 300 bedoelde Pro gevallen.”
BTW-voordruk;”
de totale druk aan BTW die rust op de goederen en diensten welke zijn aangekocht door alle onder de forfaitaire regeling vallende landbouw-, bosbouw-, en visserijbedrijven gezamenlijkvan elke lidstaat, voor zover deze belasting door een landbouwproducent die onder de normale BTW-regeling valt, overeenkomstig de artikelen 167, 168 en 169 en de artikelen 173 tot en met 177 zou kunnen worden afgetrokken;”
Harbs(cursivering van mij):
de gemeenschappelijke forfaitaire regeling mag de forfaitair belaste landbouwers gezamenlijk geen voor- of nadeel verschaffen, aangezien dit in strijd zou zijn met de doelstellingen van de Zesde richtlijn, namelijk een rechtvaardige BTW-heffing te waarborgen en concurrentiedistorsies tussen de verschillende lidstaten die deze regeling toepassen te voorkomen. (…)”
geheelte ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw, [46] de forfaitaire compensatie weliswaar beoogt volledige btw-neutraliteit voor de totale groep van forfaitair belaste landbouwers te bereiken en de btw-neutraliteit op individueel niveau slechts zo veel mogelijk te
benaderen.Het HvJ overwoog in
Commissie/Portugal(cursivering door mij):
geen perfecte neutraliteit van de btwwaarborgen. Dankzij deze compensatie kan evenwel
de best mogelijke neutraliteitworden verzekerd, rekening houdend met de noodzaak om die neutraliteit en de compensatiedoelstelling te verzoenen met de doelstelling van vereenvoudiging van de regels waaraan de forfaitair belaste landbouwers zijn onderworpen, hetgeen eveneens een van de doelstellingen van de forfaitaire regeling voor landbouwers vormt, zoals in punt 48 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt.”
tweede cassatiemiddelvan de belanghebbenden, dat inhoudt dat het neutraliteitsbeginsel, in samenhang met de herzieningsregels in de Btw-richtlijn, wordt geschonden indien geen herziening plaatsvindt, faalt derhalve.
Artikel V (Overgangsrecht)
Von Colson en Kamann [52] overwoog het HvJ:
Marleasing/Comercial Internacional de Alimentación(hierna:
Marleasing) [53] (met mijn cursivering):
Von Colson en Kamann] heeft verklaard, geldt de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting der Lid-Staten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting krachtens artikel 5 EEG Pro-Verdrag, om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de Lid-Staten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties.
Bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn, moet de nationale rechter dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn,ten einde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag te voldoen.”
6.Leidt het opfokken tot een investeringsgoed (derde cassatiemiddel)?
VOF Dressuurstal Jespers [55] .Ik zie niet in waarom het Hof dit oordeel velt. Ingevolge de Wet OB wordt de oplevering van een roerende zaak door degene die de zaak heeft vervaardigd al geruime tijd als een dienst beschouwd. [56] In
VOF Dressuurstal Jespersspeelde de vraag of de africhting en training van paarden onder het verlaagde tarief van post b.16 van de bij de Wet OB behorende tabel I kon worden geschaard. Het gerechtshof ’s Hertogenbosch stelde het HvJ een prejudiciële vraag over de uitleg van het begrip ‘vervaardigen’, omdat – zo overweegt hij in punt 4.7 van zijn uitspraak – de Nederlandse wetgever aan dat begrip in die tabelpost geen andere betekenis heeft willen toekennen dan aan het begrip ‘vervaardigd’ in artikel 3, lid 1, onderdeel c, Wet OB. Vervolgens overweegt het Hof onder meer:
derde cassatiemiddelaldus dat belanghebbenden menen dat hiervan sprake is.
X [61] af dat dan toch herziening mogelijk is (en de hiervoor genoemde voorgenomen uitbreiding van de herzieningsregeling tot kostbare diensten dus eigenlijk zinledig is ofwel een codificatie vormt van de rechtspraak van het HvJ). Zij klagen erover dat het Hof deze stelling onbehandeld heeft gelaten. Ik zal hierna nagaan of de stelling van belanghebbenden tot een andere beslissing zou kunnen leiden.
Xheeft het HvJ geoordeeld dat bepaalde aanpassingen aan de zolderetage van een bestaand onroerend goed (de duurzame aanleg van twee dakkapellen en een portaal [62] ) tezamen een investeringsgoed kunnen vormen. Het HvJ overweegt in punt 16 van
X:
tweede investeringsgoed. Het HvJ verwijst ter onderbouwing naar de gronden als vermeld in de punten 59 tot en met 63 van de conclusie van A-G Kokott (cursivering van mij en zonder vermelding van voetnoten):
Het onderhavige geval betreft evenwel niet dergelijke onderhoudskosten, maar de constructie van nieuwe delen van een gebouw die voorheen niet bestonden.Daar de constructie van nieuwe delen van een gebouw die voor gemengd gebruik dienen, geen overdreven frequent fenomeen is, kan het naar verwachting geen al te moeilijke opgave zijn om voor de toepassing van de btw met meerdere investeringsgoederen binnen één gebouw rekening te houden.
VNO [63] en
Centralan Property [64] dat het begrip ‘investeringsgoed’ binnen de Btw-richtlijn een eenduidige uitleg vereist. In dat verband rijst wel de vraag hoe moet worden omgegaan met het gegeven dat een van de bepalingen in de Btw-richtlijn (artikel 189, aanhef en onder a) de lidstaten de bevoegdheid geeft om dat begrip te definiëren.
VNO [65] :
Xvolgt dat de desbetreffende aanpassingen (de duurzame aanleg van twee dakkapellen en een portaal) aan de ‘duurzaamheidseis’ voldoen. Door de werkzaamheden ontstaat binnen het bestaande investeringsgoed een tweede ‘investeringsgoed’. Het HvJ treedt met het onderkennen van een afzonderlijk deel van een goed niet buiten gebaande paden. Uit eerdere arresten van het HvJ komt al de mogelijkheid naar voren om onderdelen van een goed voor toepassing van de btw afzonderlijk te behandelen. Ik verwijs naar
De Jong [66] en
Fischer en Brandenstein [67] .
X, onstaat bij de dieren van belanghebbenden geen afzonderlijk investeringsgoed. De opfokkosten worden immers niet gemaakt voor de constructie van nieuwe delen van een goed die voorheen niet bestonden. Uit punt 16 van
Xen punt 62 van de conclusie van A-G Kokott bij die zaak leid ik af dat de constructie van de nieuwe delen een doorslaggevend argument vormde voor het aanmerken als afzonderlijk investeringsgoed. Dat argument geldt niet voor de opfokkosten. De voor de opfok aangeschafte goederen en diensten verdwijnen immers (in het kalf) en zijn nadien niet meer afzonderlijk traceerbaar.
VNOen
Centralan Propertyligt het in mijn optiek in de rede dat de door artikel 190 Btw Pro-richtlijn geboden beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten, op dezelfde wijze als de door artikel 189, aanhef en onder a, Btw-richtlijn geboden beoordelingsbevoegdheid, is begrensd door de ‘duurzaamheidseis’. Ik meen dat sprake is van een investeringsdienst indien de aan een goed verrichte
dienstende kenmerken van duurzaamheid en dienovereenkomstige afschrijving bezitten (zie de bewoordingen van artikel 190 Btw Pro-richtlijn), maar niet leiden tot de constructie van een nieuw of een tweede investeringsgoed. Bij een investeringsgoed gaat het om de duurzaamheid van het nieuwe (onderdeel van een)
goeddat ontstaat (zie de hiervoor geciteerde overwegingen van
VNOen punt 62 van de conclusie van A-G Kokott bij
X) en bij een investeringsdienst om de duurzaamheid van de verrichte
dienst. De door Ketner en Merkx genoemde verbeteringskosten leiden in mijn visie tot een investeringsdienst. Anders dan de genoemde auteurs meen ik dat uit de rechtspraak van het HvJ niet blijkt dat deze duurzame verbeteringen, die ‘verdwijnen’ in een bestaand goed, als een investeringsgoed moeten worden beschouwd. Die rechtspraak geeft juist duidelijk weer dat het bij een investeringsgoed moet gaan om het duurzame gebruik van de tot stand gebrachte
goederen(in
X: de dakkapellen en het portaal) en de dienovereenkomstige afschrijving van de aanschaffingskosten. Nu Nederland (nog) geen gebruik heeft gemaakt van de door artikel 190 Btw Pro-richtlijn geboden mogelijkheid investeringsdiensten als investeringsgoederen te beschouwen, kunnen de hiervoor bedoelde ‘verbeteringen’ – en dus ook de onderhavige opfokhandelingen – niet als ‘investeringsgoed’ als bedoeld in 187 Btw-richtlijn worden beschouwd. De Hoge Raad kan dus in wezen vasthouden aan
HR BNB 1993/263 [69] .
derde cassatiemiddelniet tot cassatie kan leiden.
Gevolgen artikel 15, lid 4, tweede alinea, Wet OB voor het jongvee (eerste cassatiemiddel)
HR BNB 2009/26 [70] geoordeeld dat een ondernemer een goed in gebruik neemt in de zin van artikel 15, lid 4, tweede alinea, Wet OB zodra hij dit goed feitelijk bezigt. Voor de onderhavige casus brengt dit oordeel mee dat de goederen en diensten in gebruik zijn genomen op het moment dat zij aan de dieren zijn toegediend, dus tijdens de toepassing van de landbouwregeling. Voor een herziening op de voet van artikel 15, lid 4, tweede alinea, Wet OB, na de optiedatum is derhalve geen plaats. Het Hof is dus terecht tot het oordeel gekomen dat aftrek op de voet van artikel 15, lid 4, tweede alinea Wet OB niet mogelijk is.
eerste cassatiemiddelfaalt dus eveneens.