ECLI:NL:HR:2019:866

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2019
Publicatiedatum
5 juni 2019
Zaaknummer
17/05591
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet OBArt. 27 Wet OBArt. 12 Uitvoeringsbeschikking OBArt. 13 Uitvoeringsbeschikking OBArt. 14a Uitvoeringsbeschikking OB
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt herziening omzetbelasting na beëindiging landbouwregeling

Belanghebbende, een maatschap, had beroep ingesteld tegen een beschikking van de Inspecteur inzake teruggaaf van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2013. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had een uitspraak gedaan, waartegen de Inspecteur hoger beroep instelde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het Hof deed uitspraak op 19 oktober 2017.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep, maar de Hoge Raad oordeelde anders. De Hoge Raad stelde vast dat de aftrek van omzetbelasting die betrekking heeft op opfokkosten van kalveren en zelf voortgebrachte melkkoeien moet worden herzien na beëindiging van de landbouwregeling.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende en de Inspecteur. De zaak werd in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019 door de derde kamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank dat de omzetbelasting moet worden herzien.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 17/05591
7 juni 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
Maatschap [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 19 oktober 2017, nr. 16/00276, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West-Brabant (nr. BRE 14/3517), betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 1 augustus 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:933 en daarbij behorende bijlage ECLI:NL:PHR:2018:838).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Middel 1 slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 17/05587, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Met betrekking tot zowel de kalveren als de melkkoeien moet de aftrek van omzetbelasting worden herzien. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof blijkt dat indien herziening moet plaatsvinden, partijen uit praktische overwegingen instemmen met de beslissing van de Rechtbank over de grondslag van de herziening en over het tijdvak waarover de herziening moet plaatsvinden.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in cassatie de zaken met nummers 17/05587, 17/005589, 17/05590, 17/005591 en 17/05592 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In hoger beroep hangen samen de zaken die bij het Hof zijn geregistreerd onder de nummers 16/00272 tot en met 16/00277.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 501,
draagt de Inspecteur op aan het Hof het griffierecht te betalen voor de behandeling van het hoger beroep van € 503,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vijfde van € 5.184, derhalve € 1.036,80, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding bij het Hof, vastgesteld op een zesde van € 2.304, derhalve € 384, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019.