ECLI:NL:HR:2019:890

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2019
Publicatiedatum
7 juni 2019
Zaaknummer
17/03937
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens ontbreken cassatiemiddelen in opiumzaak

De verdachte, geboren in 1960, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 maart 2017 in een strafzaak betreffende opiumdelicten.

De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een schriftuur met cassatiemiddelen betekent dat het beroep niet ontvankelijk is. De Hoge Raad verklaarde de verdachte dan ook niet-ontvankelijk in het beroep en wees het beroep af. Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 11 juni 2019 door de vice-president en twee raadsheren.

Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

11 juni 2019
Strafkamer
nr. S 17/03937
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 maart 2017, nummer 22/005098-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 juni 2019.