ECLI:NL:PHR:2019:611

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2019
Publicatiedatum
11 juni 2019
Zaaknummer
17/03937
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 27 SrArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen in opiumwetzaak

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens meerdere opiumdelicten, waaronder medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. Verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Echter heeft verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend. Hierdoor kan verdachte volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in cassatie worden ontvangen.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is tevens samenhang met een andere zaak (17/03933), waarin ook een conclusie is uitgebracht.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 17/03937
Zitting: 26 maart 2019
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 maart 2017 de verdachte wegens 1 “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 2 primair “
medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 3 primair “
medeplegen van poging tot handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 4 primair “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 5 “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 7 “
van het plegen van witwassen een gewoonte maken”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/03933. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG