ECLI:NL:HR:2019:924

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2019
Publicatiedatum
13 juni 2019
Zaaknummer
19/01059
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:119 lid 1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring verzoek tot herziening in belastingzaak

In deze zaak verzochten X1 en X2 herziening van twee eerdere arresten van de Hoge Raad uit 2018 en 2019, betreffende een belastingrechtelijk geschil met de Staatssecretaris van Financiën.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening en concludeerde dat het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte die herziening konden rechtvaardigen, zoals vereist in artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren.

Deze uitspraak bevestigt de strikte criteria voor herziening in cassatie en benadrukt het belang van het aanvoeren van nieuwe feiten of omstandigheden om een behandeling in cassatie te rechtvaardigen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01059
Datum14 juni 2019
ARREST
In de zaak van
[X1] en [X2] te [Z]
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het verzoek tot herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 2 maart 2018, nr. 17/2830, ECLI:NL:HR:2018:295, en 22 februari 2019, nr. 18/04725, ECLI:NL:HR:2019:288.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van de hiervoor vermelde arresten en daarom niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019.