ECLI:NL:HR:2019:936

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2019
Publicatiedatum
13 juni 2019
Zaaknummer
19/01226
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426 lid 1 RvArt. 426a lid 1 RvArt. 80a RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens termijnoverschrijding en ontbreken handtekening advocaat

In deze zaak heeft de man tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Volgens artikel 426 lid 1 Rv Pro moest het cassatieberoep binnen drie maanden na de uitspraak van het hof worden ingesteld. Deze termijn verstreek op 1 februari 2019. Het verzoekschrift werd echter pas op 4 februari 2019 ingediend, waardoor het beroep te laat werd ingediend.

Daarnaast was het verzoekschrift niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist is op grond van artikel 426a lid 1 Rv. Dit verzuim werd niet tijdig hersteld. De Advocaat-Generaal adviseerde daarom om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep.

De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde de man niet-ontvankelijk. De vrouw, als verweerder in cassatie, was niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Kroeze en Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door Polak.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en ontbreken handtekening advocaat.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01226
Datum14 juni 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop in cassatie
De man heeft tegen de beschikking in de zaak 200.232.061/01 van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 1 november 2018 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Ingevolge art. 426 lid 1 Rv Pro kon tegen de onder 1 vermelde beschikking beroep in cassatie worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De cassatietermijn verstreek in het onderhavige geval op 1 februari 2019. Het verzoekschrift is op 4 februari 2019 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, zodat het cassatieberoep te laat is ingesteld. De man zal daarom in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het op 4 februari 2019 ingekomen verzoekschrift is ingediend door de man zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim is niet tijdig hersteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
14 juni 2019.