ECLI:NL:PHR:2019:634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening en ontbreken advocaatsondertekening
Deze zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw. De rechtbank Midden-Nederland sprak op 31 oktober 2017 de echtscheiding uit, welke beschikking op 1 november 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd bekrachtigd.
De man gaf bij brief van 31 januari 2019 aan cassatie te willen instellen, maar deze brief werd pas op 4 februari 2019 ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, na de wettelijke termijn van drie maanden. Bovendien was het verzoekschrift niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv.
De griffie wees de man hierop en verzocht hem binnen twee weken te laten weten of hij de zaak wilde voortzetten. De man vroeg later om uitstel om alsnog een advocaat te zoeken, maar dit werd geweigerd. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet tijdig is ingesteld en niet voldoet aan de vereisten van art. 426a Rv, waardoor de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad benadrukt dat het verzoekschrift niet per e-mail kan worden ingediend en dat de termijn strikt wordt gehanteerd. Ook het ontbreken van een omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt, draagt bij aan de niet-ontvankelijkheid. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en ontbreken van advocaatsondertekening.