Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een persoon met de Turkse nationaliteit tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam inzake uitlevering naar Turkije wegens betrokkenheid bij invoer van verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie.
De verdediging voerde onder meer aan dat uitlevering zou leiden tot schending van artikel 6 EVRM Pro, vanwege vermeende flagrante inbreuken op de onschuldpresumptie in de Turkse stukken, waarin de opgeëiste persoon werd aangeduid als "the guilty" en werd gesteld dat de feiten "heeft begaan".
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond van artikel 80a RO verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien op 22 januari 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen uitlevering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en ongeschiktheid van de klachten.