Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed en het besturen van een motorrijtuig zonder rijbewijs. Het hof legde één gecombineerde straf op, bestaande uit een geldboete, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en subsidiaire hechtenis.
De verdediging stelde dat het hof had moeten opleggen voor elk bewezen feit een afzonderlijke straf, conform artikel 62 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad twee afzonderlijke straffen had moeten opleggen en verbeterde het arrest dienovereenkomstig door de straffen te splitsen: een geldboete van €350,- met subsidiaire hechtenis en een voorwaardelijke rijontzegging voor het rijden onder invloed, en een geldboete van €150,- met subsidiaire hechtenis voor het rijden zonder rijbewijs.
Daarnaast werd het arrest vernietigd voor het ontbreken van de vermelding van artikel 63 Sr Pro als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging is gebaseerd. Dit werd hersteld door de Hoge Raad. De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de aangepaste strafoplegging. Dit arrest vormt een belangrijke bevestiging van de toepassing van artikel 62 Sr Pro bij het opleggen van straffen voor meerdere feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gesplitste strafoplegging met twee afzonderlijke straffen voor rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs en verwerpt het cassatieberoep.