ECLI:NL:HR:2019:979

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
18 juni 2019
Zaaknummer
17/04990
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2 WVW 1994Art. 107.1 WVW 1994Art. 62 SrArt. 63 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gesplitste strafoplegging voor rijden onder invloed en zonder rijbewijs

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed en het besturen van een motorrijtuig zonder rijbewijs. Het hof legde één gecombineerde straf op, bestaande uit een geldboete, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en subsidiaire hechtenis.

De verdediging stelde dat het hof had moeten opleggen voor elk bewezen feit een afzonderlijke straf, conform artikel 62 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad twee afzonderlijke straffen had moeten opleggen en verbeterde het arrest dienovereenkomstig door de straffen te splitsen: een geldboete van €350,- met subsidiaire hechtenis en een voorwaardelijke rijontzegging voor het rijden onder invloed, en een geldboete van €150,- met subsidiaire hechtenis voor het rijden zonder rijbewijs.

Daarnaast werd het arrest vernietigd voor het ontbreken van de vermelding van artikel 63 Sr Pro als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging is gebaseerd. Dit werd hersteld door de Hoge Raad. De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de aangepaste strafoplegging. Dit arrest vormt een belangrijke bevestiging van de toepassing van artikel 62 Sr Pro bij het opleggen van straffen voor meerdere feiten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gesplitste strafoplegging met twee afzonderlijke straffen voor rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

18 juni 2019
Strafkamer
nr. S 17/04990
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 september 2016, nummer 21/007261-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad verstaat dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden en voor het onder feit 2 bewezenverklaarde feit een geldboete van € 150, subsidiair drie dagen hechtenis, heeft opgelegd, dat de Hoge Raad het arrest vernietigt voor zover daarin als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust art. 63 Sr Pro niet is vermeld en dat de Hoge Raad dit verzuim herstelt, met verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt over de strafoplegging. Het voert daartoe aan dat het Hof heeft nagelaten ingevolge art. 62 Sr Pro aan te geven welke straf is opgelegd voor de bewezenverklaarde overtreding van art. 107 Wegenverkeerswet Pro 1994.
2.2.
Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2 tot en met 2.4 had het Hof ingevolge art. 62 Sr Pro voor de bewezenverklaarde feiten twee afzonderlijke straffen moeten opleggen in plaats van één.
2.3.
De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde heeft veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en een voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren, en ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Het middel kan dus niet tot cassatie kan leiden.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 juni 2019.