ECLI:NL:PHR:2019:661

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
18 juni 2019
Zaaknummer
17/04990
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 SrArt. 63 SrArt. 8 lid 2 onderdeel b WVW 1994Art. 107 lid 1 WVW 1994Art. 178 WVW 1994
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad herstelt strafoplegging bij samenloop misdrijf en overtreding Wegenverkeerswet

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor twee feiten: rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 585 microgram per liter uitgeademde lucht en rijden zonder rijbewijs. Het hof kwalificeerde deze feiten als respectievelijk een misdrijf en een overtreding onder de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof legde echter één straf op voor beide feiten samen, namelijk een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden. Dit was in strijd met artikel 62 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat voorschrijft dat bij samenloop van overtredingen met misdrijven voor elk feit een afzonderlijke straf moet worden opgelegd.

De Hoge Raad herstelde deze misslag ambtshalve door aan te nemen dat het hof voor het misdrijf een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden heeft willen opleggen, en voor de overtreding een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Hierdoor faalt het middel dat klaagt over de samenvoeging van straffen.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht geen toepassing gaf aan artikel 63 Sr Pro, omdat dit artikel alleen relevant is bij gevangenisstraf of hechtenis, en de opgelegde geldboete onbeperkt cumulatief is. De klacht over het opleggen van een voorwaardelijke rijontzegging voor de overtreding werd eveneens verworpen. Het cassatieberoep werd afgewezen, met herstel van de strafoplegging door de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de strafoplegging door het opleggen van twee afzonderlijke straffen en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusie

Nr. 17/04990
Zitting: 23 april 2019
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]

1.Inleiding

1.1.
De verdachte is bij arrest van 15 september 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, en voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof voor de bewezenverklaarde strafbare feiten (een misdrijf en een overtreding) ten onrechte één straf heeft opgelegd.
2.2.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“1. hij op 15 augustus 2009 te Ede als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 585 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs.
2. hij op 15 augustus 2009 te Ede als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Apeldoornseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”
2.3.
De bewezenverklaarde feiten zijn door het hof gekwalificeerd als “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994” en “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”. Deze strafbare feiten zijn in art. 178 Wegeverkeerswet Pro 1994 geclassificeerd als respectievelijk een misdrijf en een overtreding.
2.4.
Art. 62 Sr Pro schrijft onder meer voor dat bij samenloop van overtredingen met misdrijven, voor elke overtreding een straf wordt opgelegd. In strijd hiermee heeft het hof ten aanzien van beide feiten één straf opgelegd, te weten een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de periode van zes maanden. Het middel klaagt hierover terecht. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden omdat de Hoge Raad een dergelijke misslag kan herstellen. Ook de strafoplegging in de onderhavige zaak leent zich mijns inziens voor herstel in cassatie.
2.5.
Het gaat in deze zaak om twee in 2009 gepleegde feiten. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld, ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 850,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden en ten aanzien van feit 2 tot drie weken hechtenis. In hoger beroep is de verdachte veroordeeld, ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 600,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier maanden en ten aanzien van feit 2 tot achttien dagen hechtenis. Vervolgens is de zaak door de Hoge Raad vernietigd (wegens een betekeningsgebrek) en teruggewezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden.
Uit de strafmotivering van de bestreden uitspraak kan worden afgeleid dat het hof rekening heeft gehouden met het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten. Gelet op een afloopbericht toezicht van de reclassering van 18 december 2015, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven, ziet het hof aanleiding om conform de eis van de advocaat-generaal aan de verdachte een geldboete van € 500,- op te leggen en een voorwaardelijke rijontzegging. Naar mijn idee heeft het hof hiermee tot uitdrukking gebracht dat een vrijheidsbenemende straf (welke voor feit 2 in eerste aanleg en in hoger beroep wel was opgelegd) onder de genoemde omstandigheden niet meer passend en geboden is en voor beide vergrijpen heeft willen volstaan met een geldboete.
2.6.
Gelet hierop zou de Hoge Raad kunnen aannemen dat het hof voor feit 1 een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden heeft willen opleggen en voor feit 2 een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Met deze verbeterde lezing komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.
2.7.
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1.
Het tweede middel behelst de klacht dat ten onrechte de voorwaardelijke ontzegging van rijbevoegdheid is opgelegd ter zake van art. 107 Wegenverkeerswet Pro 1994.
3.2.
Met de onder de beoordeling van het eerste middel genoemde verbeterde lezing van de strafoplegging komt tevens de feitelijke grondslag aan deze klacht te ontvallen. De opvatting van de steller van het middel dat het hof de voorwaardelijke rijontzegging heeft opgelegd ten aanzien van feit 2, deel ik niet. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de voorwaardelijke rijontzegging opgelegd ten aanzien van feit 1, de overtreding van art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet Pro 1994.
3.3.
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1.
Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte art. 63 Sr Pro niet heeft toegepast.
4.2.
Ook dit middel behoeft niet tot cassatie te leiden. Art. 63 Sr Pro strekt ertoe dat de laatste rechter bij de strafoplegging rekening houdt met eerdere veroordelingen en indien nodig toepassing geeft aan de beperking die de samenloopregeling aan de cumulatie van straffen stelt. Een dergelijke beperking doet zich alleen voor wanneer gevangenisstraf of hechtenis wordt opgelegd. In de onderhavige zaak is aan de verdachte een geldboete opgelegd. Nu geldboetes onbeperkt cumuleren, behoefde het hof in zoverre met de beperking die voortvloeit uit art. 63 Sr Pro geen rekening te houden. [1] Wat betreft de aan de verdachte opgelegde vervangende hechtenis geldt bij toepassing van art. 63 Sr Pro een cumulatiebeperking van maximum een jaar. [2] Uit het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte volgt dat de totaalsom van de aan hem opgelegde vervangende hechtenis ter zake van de strafopleggingen waarmee de rechter in deze zaak ingevolge art. 63 Sr Pro eventueel rekening had moeten houden, het maximum van een jaar bij lange na niet haalt. Voor zover art. 63 Sr Pro hier ten onrechte door het hof niet is toegepast, is de verdachte niet in zijn belangen geschaad. [3] Tenslotte merk ik op dat art. 63 Sr Pro niet ziet op de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid. [4]
4.3.
Voor zover het middel erover klaagt dat het hof heeft verzuimd art. 63 Sr Pro aan te halen, kan de Hoge Raad op de voet van art. 441 Sv Pro doen wat het hof had behoren te doen.

5.Conclusie

5.1.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.2.
Deze conclusie strekt ertoe
- dat de Hoge Raad verstaat dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden en voor het onder feit 2 bewezenverklaarde feit een geldboete van € 150, subsidiair 3 dagen hechtenis heeft opgelegd;
- het arrest te vernietigen voor zover daarin als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust art. 63 Sr Pro niet is vermeld en dit verzuim te herstellen;
met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6787.
2.Art. 62 lid 2 in Pro verbinding met art. 24c lid 3 Sr.
3.Vgl. HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1609, NJ 1999/761 en HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6787.
4.Zie HR 18 mei 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AC7628, NJ 1983/69, HR 25 februari 1992, ECLI:NL:PHR:1992:AD1620, NJ 1992/570.