Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de klager tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2018. Het klaagschrift was gericht tegen beslaglegging op een personenauto die kennelijk was ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, op grond van de Algemene Douanewet.
De klager verzocht tevens om toekenning van een geldelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard en het verzoek om tegemoetkoming afgewezen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank Rotterdam gehandhaafd.