Uitspraak
1..Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde middel
4..Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij was veroordeeld voor medeplegen van witwassen, poging tot witwassen en opzettelijk gebruik van een vals geschrift. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en tot vermindering daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen die betrekking hadden op de inhoudelijke strafzaak niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde deze vast op vijf maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vijf maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.