Uitspraak
kantoorhoudende te Nijmegen,
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 juni 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of Rabobank haar vorderingen op gefailleerde vennootschappen mocht verrekenen met huurpenningen die zij verschuldigd was uit hoofde van een bodemverhuurconstructie. De curator vorderde betaling van huurpenningen over de periode van februari tot december 2010, stellende dat de huurovereenkomsten pas op de leveringsdatum van de bedrijfspanden en inventaris waren geëindigd.
Rabobank voerde verweer dat zij haar vorderingen mocht verrekenen op grond van artikel 53 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw). Het gerechtshof oordeelde dat het verband tussen de huurovereenkomsten en de kredietvorderingen van Rabobank voldoende was om verrekening toe te staan, en dat de uitzondering uit het arrest Tiethoff q.q./NMB niet van toepassing was. De curator stelde dat dit arrest juist wel van toepassing was, omdat de huurovereenkomsten na faillissement nog voortduurden en de bank geen reële tegenprestatie leverde.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. De bodemverhuurconstructie is een kortdurende verhuur die dient om het stil pandrecht om te zetten in een vuistpandrecht, zodat de bank haar zekerheidsrecht kan uitoefenen. Hierdoor is verrekening van de huurpenningen met de vorderingen gerechtvaardigd en vormt dit geen onaanvaardbare doorbreking van het gelijkheidsbeginsel van schuldeisers. De curator had bovendien de mogelijkheid de huurovereenkomst op te zeggen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de curator in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Rabobank de huurpenningen mocht verrekenen met haar vorderingen.