Uitspraak
22 december 1989.
Hoge Raad
De curator in het faillissement van het Residentieslachthuis B.V. vordert betaling van achterstallige huur door de Nederlandse Middenstandsbank (NMB) over een bedrijfsruimte. De NMB verrekent deze huurschuld met een grote vordering die zij op de failliete verhuurder heeft ingediend. Zowel de Kantonrechter als de Rechtbank wijzen de vordering van de curator af en achten verrekening op grond van artikel 53 Faillissementswet Pro (Fw) toegestaan.
De Hoge Raad stelt in cassatie dat artikel 53 Fw Pro weliswaar verrekening toestaat van vorderingen en schulden die voortvloeien uit handelingen vóór faillissement, maar dat een uitzondering geldt voor schulden die na faillissement ontstaan zijn uit een overeenkomst die nog voortduurt en waarbij de prestatie ten laste van de boedel moet worden verricht. In dit geval betreft de huur een dergelijke prestatie.
De Hoge Raad vernietigt daarom de eerdere vonnissen en veroordeelt de NMB tot betaling van de huur inclusief wettelijke rente en toekomstige huurtermijnen zolang zij het gehuurde gebruikt. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van de curator aan NMB opgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat de bank ten onrechte haar vordering op de failliete boedel compenseert met huur die als tegenprestatie ten laste van de boedel moet worden betaald.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de bank tot betaling van de huurvordering en vernietigt eerdere vonnissen die verrekening toestonden.