ECLI:NL:HR:2020:1
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging schenkingsovereenkomst wegens dwaling en gevolgen voor schenkbelasting
Belanghebbende kocht in 2015 een woning van zijn oudtante voor € 325.000, terwijl hem was toegezegd dat hij deze voor € 225.000 kon kopen. De oudtante schonk hem vervolgens € 100.000. De inspecteur legde een aanslag schenkbelasting op. In 2016 werd de schenkingsovereenkomst wegens dwaling omgezet in een lening, die eind 2017 werd kwijtgescholden.
Het hof oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij in vermoedelijke zekerheid verkeerde over de fiscale gevolgen van de schenking, en dat de vernietiging van de schenkingsovereenkomst niet tot vernietiging van de aanslag leidt.
De Hoge Raad stelt dat vernietiging van de schenkingsovereenkomst wegens dwaling niet automatisch leidt tot vernietiging van de aanslag, maar wel tot een mogelijk recht op vermindering van de aanslag op grond van artikel 53 lid 1 Successiewet Pro. Het hof heeft echter ten onrechte niet beoordeeld of belanghebbende aan de last heeft voldaan om de dwaling aan de inspecteur tegen te werpen.
De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof, dat partijen de gelegenheid moet geven hun stellingen aan te passen en te beoordelen of belanghebbende vermindering van de aanslag kan verzoeken en of de inspecteur aannemelijk kan maken dat het beroep op vernietiging slechts is voorgewend.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en draagt op tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.