Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
7 januari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De advocaat van de verdachte heeft een middel van cassatie voorgesteld, maar de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal de verdachte niet kan worden ontvangen in het ingestelde beroep. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar maakt, noch is gebleken van onjuist verstrekte ambtelijke informatie.
Daarom heeft de Hoge Raad op 7 januari 2020 het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verontschuldigbare overschrijding van de beroepstermijn.