Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 juni 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte door de rechtbank veroordeeld voor vijf feiten en kreeg hij één hoofdstraf opgelegd. Het gerechtshof sprak verdachte vrij van twee van deze feiten en veroordeelde hem voor de overige drie, waarbij het de strafbepaling conform artikel 423.4 Sv toepaste. Daarnaast behandelde het hof beslagbeslissingen die volgens het hof niet aan de drie feiten waren gekoppeld.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, mede gericht tegen het in stand houden van de beslagbeslissingen en de overschrijding van de redelijke termijn. De advocaat-generaal adviseerde het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a RO.
De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Daarom maakte de Hoge Raad gebruik van artikel 80a RO om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 16 juni 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.