Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2013, ingediend door de klager. Deze klaagde over de inbeslagneming van voorwerpen op grond van een verzoek tot rechtshulp van Duitse autoriteiten.
De klager heeft geen cassatiemiddelen ingediend, wat een vereiste is om het beroep ontvankelijk te laten zijn. De advocaat-generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep niet in behandeling kon worden genomen omdat niet aan de wettelijke verplichting was voldaan om binnen de gestelde termijn schriftelijke klachten in te dienen. De Hoge Raad verklaarde het beroep daarop niet-ontvankelijk.
De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 23 juni 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.