Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.De bestreden beschikking
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
6.Beslissing
23 juni 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland inzake een klaagschrift over beslaglegging op goederen en administratie van een rechtspersoon, uitgevoerd op basis van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van Duitse autoriteiten wegens verdenking van overtreding van de Wet dieren.
De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat sprake was van dubbele strafbaarheid omdat het in het EOB omschreven feit binnen de Nederlandse strafbaarstelling van artikel 2:19 Wet Pro dieren valt. Tevens overwoog de rechtbank dat zij slechts een marginale toetsingsbevoegdheid heeft en geen proportionaliteitstoets mag toepassen op de omvang van het beslag en de overdracht van goederen aan de Duitse autoriteiten.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat het vereiste van dubbele strafbaarheid inhoudt dat het materiële feit in de uitvaardigende staat en in Nederland in de kern hetzelfde rechtsgoed moet beschermen, zonder dat volledige identieke strafbepalingen noodzakelijk zijn. Daarnaast verklaart de Hoge Raad dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5.4.7 lid 1 Sv niet bevoegd is om proportionaliteitstoetsen toe te passen bij de uitvoering van een EOB, behalve in specifieke gevallen die hier niet aan de orde zijn.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het beroep daarom moet worden verworpen. De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 23 juni 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.