Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
30 juni 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van diefstal door braak en opzetheling van een motorvoertuig.
De klachten over medeplegen en opzetheling werden door de Hoge Raad verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door vertraging in de procedure, wat aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat het hof onjuist vervangende hechtenis had toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel. De uitspraak werd daarom vernietigd voor zover het de duur van de gevangenisstraf en de toepassing van vervangende hechtenis betreft. De straf werd verminderd tot vijftien maanden en een week, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Ten slotte bepaalde de Hoge Raad dat bij de schadevergoedingsmaatregel gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot vijftien maanden en een week met ambtshalve vernietiging van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel.