Conclusie
Nummer19/00390
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelkomt met twee deelklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.
stillsin het dossier met duidelijk zijn en dat er te weinig expliciete kenmerken zichtbaar zijn op grond waarvan de verdachte met zekerheid zou kunnen worden herkend.
stillsdie zich van deze beelden in het dossier bevinden zijn van beduidend minder goede kwaliteit zijn dan de beelden van de diefstal op 13 april 2015. De verbalisant [verbalisant 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat de camerabeelden van 14 april 2015 niet heel scherp zijn en dat zijn herkenning op basis van de s
tillsgeen 100% herkenning betreft. In zoverre wordt het verweer gehonoreerd. [3] De herkenning door verbalisant [verbalisant 2] en de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 4] [verbalisant 5] en [verbalisant 3] staan echter niet op zichzelf en dienen in onderling verband en samenhang te worden bezien met de dactyloscopische sporen die van de verdachte en zijn medeverdachte zijn aangetroffen op de auto die zich naast de gestolen motor in een afgesloten garage bevond. De verdachte heeft geen plausibele verklaring kunnen geven op de vraag hoe deze sporen anders op de betreffende auto terecht kunnen zijn gekomen dan bij gelegenheid van de diefstal van de motorfiets. Het hof verwijst naar de overweging met betrekking tot de dactyloscopische sporen in het bestreden vonnis, waarmee het hof zich verenigt. Naar het oordeel van het hof kan het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.
tweede middelhoudt in dat de bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, althans niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
NJ2014/76 m.nt. Borgers stelde het hof vast dat de verdachte van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij, verdachte, bestuurde, was gestolen. De verdachte was vervolgens met deze auto nog een minuut à anderhalve minuut doorgereden. Het oordeel van het hof dat de verdachte over deze auto en het bijbehorende kentekenbewijs een zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen voorhanden heeft gehad, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. [10] De enkele omstandigheid dat de verdachte zeer korte tijd goederen onder zich heeft teneinde deze uit nieuwsgierigheid te kunnen bekijken, is daarentegen volgens de Hoge Raad onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte daarover een zodanige feitelijke zeggenschap had dat de verdachte die goederen voorhanden heeft. [11]
NJ2000/736 m.nt. Schalken sprong de verdachte achterop een gestolen bromfiets en reed met de bestuurder mee naar een woning. Het oordeel van het hof dat de verdachte de bromfiets tezamen met een ander als vervoermiddel had gebruikt en aldus voorhanden had, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. [12]
derde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.