Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juli 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het onthouden van de nodige verzorging aan runderen, in strijd met artikel 37 van Pro de oude Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waarvan twee niet tot vernietiging leidden. Het derde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro vanwege te late verzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad verklaarde dit middel gegrond en vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur. De opgelegde taakstraf van 110 uren en de vervangende hechtenis van 55 dagen werden verminderd naar 104 uren taakstraf en 52 dagen hechtenis. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen, waarmee de veroordeling en het oordeel van het hof in stand bleven.
De uitspraak benadrukt het belang van de naleving van de redelijke termijn in strafzaken en bevestigt dat het vaststellen van een welzijnsaantasting op een bepaald moment voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van het onthouden van verzorging aan dieren. De Hoge Raad motiveert niet nader waarom de overige klachten niet tot vernietiging leiden, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn.