Conclusie
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
4.Het derde middel
Stb.2011, 345) werd aangegeven dat het uitgangspunt van de Wd is dat dieren een eigen, zelfstandige waarde hebben, die losstaat van de gebruikswaarde die de mens aan dieren toekent. Deze intrinsieke waarde van het dier kwam, aldus de Memorie van Toelichting, in de GWWD al tot uitdrukking in onder meer het verbod op verwaarlozing. In de Wd is de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier expliciet vastgelegd in art. 1.3 Wd. [11] Meermalen is benadrukt dat uit de erkenning dat elk dier een eigen zelfstandige waarde heeft, geen concreet normatief gevolg voortvloeit. [12]