Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
30 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over openlijke geweldpleging. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf en een vervangende hechtenis. In cassatie werden verschillende klachten ingediend, waaronder over de bewijsvoering en de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsvoering niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Dit leidde tot een gegrond cassatiemiddel.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de taakstraf en de vervangende hechtenis. De straf werd verminderd van 150 naar 142 uren taakstraf, respectievelijk van 75 naar 71 dagen hechtenis. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd naar 142 uren, subsidiair 71 dagen hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn.