Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet gelegd beslag had onttrokken door de deurwaarder niet te informeren over de locatie van een auto en deze ook niet ter beschikking te stellen. Het hof oordeelde dat het beslag formeel rechtmatig was gelegd.
Verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: het eerste werd zonder nadere motivering verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, maar gelet op de geringe straf (taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis) en de mate van overschrijding, werden hieraan geen rechtsgevolgen verbonden.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van taakstraf en subsidiaire hechtenis blijft gehandhaafd.