Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt, zo begrijp ik, dat het hof bij de interpretatie van art. 198, eerste lid, Sr van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het
tweedemiddel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het verweer van verdachte ten aanzien van de bevoegdheid van de deurwaarder. Bij welwillende interpretatie ligt in beide middelen, samengenomen, een meer algemene bewijsklacht besloten. Gelet op de inhoud van beide middelen zal ik eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof weergeven.
Nadere bewijsoverweginq
eerstemiddel klaagt dat het hof aan de bestanddelen ‘opzettelijk enig goed aan het (…) gelegd beslag onttrekken’ een onjuiste uitleg heeft gegeven, omdat 1) de verdachte ‘steeds mededeling (heeft) gedaan waar het inbeslaggenomen voertuig zich bevindt’ en 2) ‘daaronder niet (kan) worden verstaan dat het voertuig diende te worden ingeleverd althans aan de deurwaarder ter beschikking diende te worden gesteld.’
NJ1995/622 was conservatoir beslag gelegd op percelen grond. Daarna was grond van die percelen afgegraven en vervoerd. Uw Raad liet de veroordeling wegens art. 198 Sr Pro in stand en overwoog onder meer dat voor de vraag of sprake is van onttrekken in de zin van dit artikel niet relevant is ‘of de beslaglegger door de aan de beslagene verweten gedraging is benadeeld (…) aangezien art. 198 Sr Pro niet beoogt de belangen van de beslaglegger te beschermen doch strekt tot eerbiediging van een daad van het openbaar gezag’. Ook uit de formulering van de delictsomschrijving volgt een aanwijzing van gedragingen die onder ‘onttrekken’ zijn begrepen. Naast het opzettelijk onttrekken van enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag is strafbaar gesteld het ‘wetende dat het daaraan onttrokken is’, verbergen van dat goed. Dat duidt erop dat het onttrekken zelf ook in het verbergen en verborgen houden van het goed kan bestaan. [16] Ik wijs er in dit verband nog op dat Uw Raad bij art. 341 Sr Pro (oud) heeft aangenomen dat het onttrekken van goederen aan de boedel handelingen betreft ‘waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden’. [17] Daaronder viel (en valt) van oudsher ook het ‘verbergen van goederen en daardoor buiten bereik en beheer van de curator’ stellen. [18] Tegen deze achtergrond meen ik dat van onttrekken aan het beslag (onder meer) sprake is bij het buiten bereik van de deurwaarder brengen of houden van het betreffende vermogensbestanddeel. Dat brengt mee dat ’s hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd is. [19]
opzettelijkeen personenauto aan het beslag onttrekken ontoereikend met redenen heeft omkleed merk ik nog het volgende op. Uit ’s hofs bewijsoverwegingen volgt dat verdachte op 2 juli 2015, derhalve aan het begin van de bewezenverklaarde periode, op de hoogte was van het op de auto gelegde beslag. Reeds vanaf dat moment diende hij zich te onthouden van handelingen waardoor de auto aan het beslag werd onttrokken. Op 24 maart 2016 is de verdachte door de politie verhoord; daar is hem medegedeeld dat hem op 23 december 2015 een brief is gestuurd waarin hem werd verzocht de BMW binnen vijf werkdagen over te dragen aan de gerechtsdeurwaarder. Op 13 juni 2016 heeft de verdachte medegedeeld dat de auto zich bevindt op de locatie ‘[b-straat] (zonder nummer), [plaats], Croatia’. Het hof wijst er ook op dat de verdachte vervolgens heeft nagelaten de nieuwe locatie van de auto ‘die volgens zijn verklaring maar een maand op het opgegeven adres heeft gestaan en toen weer naar Nederland is gekomen’ aan de deurwaarder op te geven. Het hof oordeelt dat de verdachte ‘door de auto niet aan de executerend deurwaarder ter beschikking te stellen niet alleen de executoriale verkoop van de BMW’ heeft gefrustreerd, maar dat hij die auto daarmee ook aan het beslag heeft onttrokken en dat daarin tevens besloten ligt ‘dat zijn opzet daar ook op was gericht’. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweedemiddel klaagt dat het hof een onjuiste, althans beperkte uitleg heeft gegeven aan het verweer ‘ten aanzien van de bevoegdheid van de desbetreffende deurwaarder’. Er zou nooit ‘een concrete aanzegging van een uiteindelijke executoriale verkoop’ hebben plaatsgevonden. Verdachte zou daarmee ‘geen spoedeisend belang’ hebben gehad om ‘daartegen een executiegeschil op te starten.’ Daarbij zou een executiegeschil geen duidelijkheid bieden ‘omtrent de rechtsgeldigheid van de rechtshandelingen van een bestuurder van een niet juist benoemd bestuur van de VvE’. Gesteld wordt dat er sprake was van een ‘non-existent besluit’ om tot incasso over te gaan omdat de bestuurder van de VvE niet bevoegd was om de opdracht aan de deurwaarder te verstrekken.