ECLI:NL:HR:2020:1253

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/01269
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:83 BWArt. 6:74 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ingangsdatum wettelijke rente bij toerekenbare tekortkoming in overeenkomstenrecht

In deze zaak vordert eiseres vergoeding van schade wegens een toerekenbare tekortkoming van CAV. Het hof Den Haag kende schadevergoeding toe en bepaalde dat de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (24 juni 2009) verschuldigd was, omdat eiseres niet had aangegeven wanneer de schade was geleden.

Eiseres stelde dat de wettelijke rente moest ingaan vanaf de datum waarop de schade daadwerkelijk werd geleden, namelijk 1 juli 2008 en 1 januari 2009. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door niet in te gaan op deze stellingen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de ingangsdatum van de wettelijke rente betreft. Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag en betaling heeft plaatsgevonden, stelt de Hoge Raad het arrest op dit punt niet zelf vast. De overige klachten worden verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiseres in de proceskosten in cassatie niet, omdat CAV haar verweer tijdig heeft ingetrokken.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van wettelijke rente bij schadevergoeding in het overeenkomstenrecht en benadrukt het belang van een deugdelijke motivering van de ingangsdatum van de rente.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover de wettelijke rente vanaf 24 juni 2009 is toegekend; het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01269
Datum10 juli 2020
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: D.Th.J. van der Klei,
tegen
CAV AGROTHEEK B.V.,
gevestigd te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: CAV,
advocaat: M.E. Franke.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
zijn arrest in de zaak 14/00585, ECLI:NL:HR:2015:2462 van 4 september 2015;
de arresten in de zaak 200.178.639/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 juli 2016, 20 december 2016 en 11 december 2018.
[eiseres] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
CAV heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt ertoe dat de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2018 zal vernietigen uitsluitend voor zover daarin CAV is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf 24 juni 2009, het cassatieberoep voor het overige zal verwerpen, en [eiseres] zal veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
De advocaten van partijen hebben ieder schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan naar rov. 3.1 van zijn hiervoor onder 1 genoemde arrest.
2.2
In dit geding gaat het, voor zover nog van belang, om de vordering van [eiseres] tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden door een toerekenbare tekortkoming van CAV.
Het hof heeft een aantal schadeposten toegewezen en heeft in zijn eindarrest overwogen dat CAV de wettelijke rente daarover verschuldigd is vanaf de dag van de dagvaarding (24 juni 2009), omdat “[eiseres] niet heeft aangegeven wanneer iedere schadepost is geleden” (rov. 7.3). Het hof heeft vervolgens in het dictum bepaald dat de wettelijke rente over de schadevergoeding verschuldigd is vanaf 24 juni 2009. [1]

3.Beoordeling van de middelen

3.1.1
Middel 3 is gericht tegen de door het hof bepaalde ingangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente. Het middel betoogt dat [eiseres] heeft aangevoerd dat wat betreft de wettelijke rente moet worden uitgegaan van de datum van het lijden van de schade, en dat [eiseres] daarvoor als data heeft genoemd 1 juli 2008 en 1 januari 2009.
3.1.2
Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 6:83, aanhef en onder b, BW en art. 6:74 lid 1 BW Pro is in een geval als het onderhavige de wettelijke rente over de schadevergoeding verschuldigd vanaf het moment waarop de schade wordt geleden. Door niet in te gaan op de hiervoor in 3.1.1 vermelde stelling van [eiseres] dat hij schade heeft geleden op 1 juli 2008 en 1 januari 2009, heeft het hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. De klacht slaagt.
3.1.3
De gegrondheid van middel 3 brengt mee dat het eindarrest van het hof vernietigd moet worden ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het arrest uitsluitend op dit punt te vernietigen. De Hoge Raad kan daarmee volstaan en behoeft voor de beslissing van het hof ten aanzien van die ingangsdatum geen andere beslissing in de plaats te stellen nu tussen partijen overeenstemming bestaat over het door CAV aan wettelijke rente verschuldigde bedrag en CAV dit bedrag inmiddels aan [eiseres] heeft voldaan.
3.2
De overige klachten van de middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Proceskosten

4.1
Bij haar verweerschrift heeft CAV geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep van [eiseres]. In haar schriftelijke toelichting (onder 4.3-4.5) heeft CAV onder meer aangevoerd dat het betoog van [eiseres] over de wettelijke rente juist is, dat zij daarom de gederfde rente heeft berekend en dat zij het verschuldigde bedrag inmiddels aan [eiseres] heeft voldaan. CAV heeft het door haar verschuldigde bedrag aan wettelijke rente betaald op 6 augustus 2019. In haar schriftelijke toelichting van 13 september 2019 heeft CAV zich gerefereerd ten aanzien van middel 3 en zich op het standpunt gesteld dat zij gelet op een en ander niet kan worden veroordeeld in de proceskosten in cassatie.
4.2
CAV heeft de door haar verschuldigde wettelijke rente betaald op 6 augustus 2019 en kwam daarmee in zoverre terug van haar aanvankelijke verweer tegen middel 3 over de wettelijke rente. Omdat CAV haar verweer tegen middel 3 tijdig heeft prijsgegeven, te weten voordat zij haar cassatieberoep op 13 september 2019 schriftelijk toelichtte, zal geen veroordeling in de proceskosten in cassatie volgen.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2018 uitsluitend voor zover CAV daarin is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf 24 juni 2009.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
10 juli 2020.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 11 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3373.