Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1264

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/02506
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 5a Tijdelijke regeling invoering Wft (oud)Art. 213f Fw (oud)Art. 173 lid 1 FwArt. 2:19 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering uit onrechtmatige daad na faillissement en ontbinding rechtspersoon

In deze zaak stond centraal de ontvankelijkheid van een vordering uit onrechtmatige daad tegen De Nederlandsche Bank (DNB) na het faillissement en de ontbinding van een rechtspersoon. De eiser, een rechtspersoon in liquidatie, en een natuurlijke persoon hadden beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam dat hun vordering afwees.

De procedure kende een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van DNB en schriftelijke reacties van partijen op de conclusie van de Advocaat-Generaal. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten in de procedure bij lagere instanties en oordeelde dat de klachten tegen het arrest van het hof niet konden leiden tot vernietiging.

De Hoge Raad motiveerde niet uitvoerig vanwege het ontbreken van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro). Het voorwaardelijk incidentele beroep van DNB werd niet behandeld omdat het principale beroep werd verworpen.

De Hoge Raad veroordeelde de eisers in de kosten van het cassatiegeding, waarbij een specificatie van verschotten en salaris werd gegeven, vermeerderd met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Het arrest werd uitgesproken door raadsheer C.E. du Perron onder voorzitterschap van vicepresident E.J. Numann.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de eisers werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02506
Datum10 juli 2020
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1] in liquidatie,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: [eiseres 1],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
DE NEDERLANDSCHE BANK N.V.,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: DNB,
advocaten: J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 5423305 / CV EXPL 16-29407 van de kantonrechter te Amsterdam van 8 december 2016;
de vonnissen in de zaak C/13/621558 / HA ZA 17-27 van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2017 en 27 december 2017;
het arrest in de zaak 200.231.664/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2019.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. DNB heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van DNB begroot op € 2.763,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
10 juli 2020.