Conclusie
in persoonheeft het hof afgewezen, omdat deze onvoldoende (concreet) zijn toegelicht. In hun principaal cassatieberoep richten [eisers] diverse klachten tegen beide oordelen. In haar voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep neemt DNB ook het ontvankelijkheidsoordeel van het hof onder vuur, waarbij het haar overigens niet om het resultaat (niet-ontvankelijkheid) gaat, maar om de weg ernaartoe.
1.Feiten
2.Procesverloop
naming and shaming, heeft [eiser 2] niet gesteld dat DNB zijn naam publiekelijk heeft genoemd. Bij de comparitie van partijen in hoger beroep heeft DNB aangevoerd dat de naam van [eiser 2] niet is genoemd in de op [eiseres 1] betrekking hebbende beschikkingen en dat zijn naam ook niet voorkomt in het publicatiebesluit. [eiser 2] heeft dit bij de comparitie van partijen niet betwist; hij heeft erkend dat zijn naam niet is genoemd in het publicatiebesluit.
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijk [10] van toepassing is.
ofen zo ja
op welk moment[eiseres 1] heeft opgehouden te bestaan. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de vraag
ofen zo ja
op welk momentde boedel in staat van insolventie is komen te verkeren en
ofen zo ja
op welk moment[eiseres 1] is ontbonden. Een tweede vraag in dat verband betreft de betekenis van rehabilitatie. Ter beantwoording van deze vragen ga ik eerst kort in op het faillissementsrecht (randnummers 3.3 e.v.), enkele vormen van afwikkeling van het faillissement en op de (eventuele) gevolgen daarvan voor het (voort)bestaan van de gefailleerde rechtspersoon (randnummers 3.7 e.v.):
Boedelvorderingenontstaan door of na het faillissement; het gaat daarbij om de kosten die de afhandeling van het faillissement met zich brengt. Boedelvorderingen worden rechtstreeks op de boedel verhaald en staan in die zin feitelijk bovenaan in de rangorde. Zij hoeven ook niet ter verificatie te worden ingediend (zie over verificatie hierna randnummer 3.9). [16] Concurrente vorderingenstaan juist onderaan in de rangorde; hetgeen resteert na uitdeling aan de boedelschuldeisers en aan de bevoorrechte schuldeisers wordt naar rato van de omvang van hun vorderingen verdeeld over de concurrente schuldeisers (art. 180 lid 2 Fw Pro). [17] Ook
separatisten, zoals hypotheek- en pandhouders, nemen in het faillissement een aparte positie in. Zij kunnen hun recht in beginsel uitoefenen alsof er geen faillissement is (art. 57 lid 1 Fw Pro).
Dekker q.q./ […]heeft Uw Raad dit systeem van de Fw aldus uiteengezet:
in staat van insolventieis komen te verkeren. Vanaf dat moment wordt het vermogen van de gefailleerde vereffend. Art. 173 lid 1 Fw Pro luidt als volgt:
alleconcurrente schuldeisers verbindend, ook als zij hadden tegengestemd of niet waren opgekomen in het faillissement (art. 157 Fw Pro). [37]
Staatscourant, zodat schuldeisers in de gelegenheid worden gesteld om ertegen in verzet te komen (art. 208 en Pro 209 Fw). Daarnaast moet het rehabilitatievonnis, op straffe van nietigheid, ter openbare terechtzitting worden uitgesproken en gemotiveerd en in het openbaar faillissementsregister van de rechtbank worden ingeschreven (art. 212 Fw Pro).
lid 6BW (bij het einde van het faillissement ingevolge de verbindendverklaring van de slotuitdelingslijst) en in het andere geval ex art. 2:19
lid 4BW op het moment van de opheffing van het faillissement. In het laatste geval valt dat moment samen met ontbinding van de rechtspersoon en het ophouden te bestaan. In het eerste geval is de rechtspersoon al wel ontbonden, maar houdt hij pas op een later moment op te bestaan. Voor de schuldeisers betekent dit dat zij hun vorderingen (voor zover nog niet voldaan) niet meer op de (immers niet meer bestaande) rechtspersoon kunnen verhalen (randnummers 3.23 en 3.28). Alleen in geval van een akkoord is voor de rechtspersoon sprake van een positieve uitkomst, omdat hij daarmee aan de staat van insolventie kan ontkomen en dus ook aan de executoriale fase. Dat voorkomt ook ontbinding (zie randnummer 3.19).
lid 4in plaats van
lid 6BW, zou ik daaraan in deze zaak geen consequenties willen verbinden. Bij nadere beschouwing lijkt de etikettering namelijk op een vergissing te berusten. In de eerste volzin van rov. 3.9 heeft het hof immers overwogen dat [eiseres 1] na faillietverklaring
door insolventieingevolge art. 2:19 lid Pro 1, aanhef en onder c., BW is ontbonden (en dus niet door opheffing wegens de toestand van de boedel; de art. 16 Fw Pro-situatie die eventueel aanleiding geeft tot toepassing van art. 2:19 lid 4 BW Pro, zie nader randnummer 3.28). Ook uit rov. 3.7 en 3.8 blijkt dat het hof onder ogen heeft gezien dat we hier te maken hebben met een reguliere afwikkeling en niet met een art. 16 Fw Pro-situatie. In rov. 3.7 en 3.8 heeft het hof immers overwogen dat op de verificatievergadering geen akkoord is aangeboden, dat de afwikkeling van het faillissement is voortgezet doordat de boedel is vereffend en – nog belangrijker – dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden waarna het faillissement is geëindigd (zie voor die overwegingen randnummers 2.9 en 2.10). Dit alles duidt erop dat het hof, hoewel het in rov. 3.9 art. 2:19
lid 4BW heeft genoemd, bedoeld heeft art. 2:19
lid 6BW toe te passen. Wanneer in rov. 3.9 lid 6 wordt gelezen, waar nu lid 4 staat, verandert daarmee de inhoud en betekenis van die overweging ook niet.
lid 6BW) heeft opgehouden te bestaan en daarom niet kan worden ontvangen in enige vordering, is dus juist. Daarmee valt ook het doek voor drie andere klachten uit het eerste onderdeel die eveneens betrekking hebben op art. 2:19 lid 4 BW Pro. In de eerste plaats gaat het om de klacht dat het hof niet had kunnen oordelen dat er geen baten of potentiële baten zijn, omdat DNB dat niet heeft gesteld. In de tweede plaats gaat het om de klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd dat er op het tijdstip van ontbinding geen baten of potentiële baten meer aanwezig waren (terwijl op het moment van ontbinding een bate aanwezig was; de vordering van [eiseres 1] op DNB). In de derde plaats gaat het om de klacht dat het hof zou hebben miskend dat de ontbinding of het ophouden van bestaan van de rechtspersoon ex art. 2:19 lid 4 BW Pro niet van rechtswege plaatsvindt. Nu deze klachten voortbouwen op de tevergeefs voorgestelde klacht die hiervoor is behandeld (randnummer 3.42), delen zij het lot daarvan. Ook voor deze drie klachten geldt: het hof heeft weliswaar
lid 4genoemd, maar het hof heeft (terecht, zie randnummer 3.38)
lid 6toegepast.
onderdeel 1.
onderdeel 3vergeefs voorgesteld.
onderdeel 4faalt derhalve.
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijk [60] van toepassing is. Onder verwijzing naar een aantal randnummers uit zijn memorie van grieven en uit zijn akte spreekaantekeningen, betoogt [eiser 2] tevens dat het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het onvoldoende kenbaar op de daarin in dit kader aangevoerde stellingen is ingegaan. Voordat ik aan de behandeling van deze klachten toekom, zal ik het arrest
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkkort bespreken en daarbij ook ingaan op (de verhouding tot) het arrest
Poot/ABP.
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkhad Uw Raad het arrest
Poot/ABPgewezen, waarin Uw Raad heeft benadrukt dat als een derde vermogensschade heeft veroorzaakt bij een vennootschap die een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap met zich brengt, in zoverre uitsluitend die vennootschap schadevergoeding bij die derde kan innen. De aandeelhouders hebben geen eigen schadevergoedingsvordering jegens deze derde (rov. 3.4.1). Uit rov. 3.4.2 en 3.4.3 kan worden afgeleid dat dit anders zou kunnen liggen wanneer de betrokken aandeelhouder aannemelijk maakt dat die derde jegens hem een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. [61] In de zaak
Poot/ABPwerd de schade die Poot zou hebben geleden in de vorm van waardevermindering van de aandelen, veroorzaakt door de vermogensschade die de betrokken vennootschap had geleden als gevolg van de wanprestatie of onrechtmatige daad van het ABP; de schade van Poot was daarmee in zoverre
afgeleideschade. [62] De
Poot/ABP-regel neemt dus als vertrekpunt dat een derde schade veroorzaakt bij de vennootschap als gevolg waarvan ook de aandeelhouders gedupeerd worden. Zulke ‘afgeleide schade’ kan de aandeelhouder in beginsel niet zelf claimen, maar wordt in principe goedgemaakt bij schadevergoeding door de derde aan de vennootschap. In het meeste recente arrest waarin deze materie aan de orde is, heeft Uw Raad dit als volgt verwoord: [63]
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijk, waarin Kip en Sloetjes met succes Rabobank Winterswijk aansprakelijk stelden onder meer vanwege schade die zij hebben geleden bij de verkoop van hun aandelen, heeft Uw Raad het verschil tussen de situatie van Poot en die van Kip en Sloetjes uiteengezet. De kernoverweging van Uw Raad in het arrest
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkluidt als volgt:
NJ 1995, 288, had betrekking op een geval waarin de eisende partij als directeur/enig aandeelhouder van een concern feiten en omstandigheden had gesteld, die een onrechtmatige daad tegenover dat concern zouden opleveren, doch niets had gesteld waaruit zou hebben kunnen volgen dat zijn wederpartij daarnaast ook nog in strijd had gehandeld met de jegens hemzelf in privé vereiste zorgvuldigheid. De schade in verband met de waardevermindering van eisers — nog steeds aan hem toebehorende — aandelen correspondeerde geheel met de schade die het concern als gevolg van beweerdelijk gepleegde onrechtmatige daad in zijn vermogen had geleden.
De grondslag van de vordering van Kip en Sloetjes is evenwel van geheel andere aard.Hun stellingen komen erop neer dat de Bank jegens hen persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld en dat de door hen geleden schade het gevolg is van een samenhangend geheel van onrechtmatige gedragingen van de Bank, die niet alleen ertoe hebben geleid dat de waarde van hun aandelen ernstig is aangetast door het onzorgvuldige kredietbeleid van de Bank en door het dwingen tot medewerking aan de surséance, maar ook tot gevolg hebben gehad dat zij vervolgens die aandelen — onder druk van de Bank — op een zeer ongunstig tijdstip hebben moeten verkopen,
zodat de door de waardevermindering ontstane schade definitief ten laste van hun vermogen is gekomen en niet meer kan worden opgeheven door een eventuele schadevergoeding van de Bank aan de vennootschappen van het concern, terwijl bovendien ten tijde van de aan de Bank verweten gedragingen hun belangen sterk met die van het concern waren verweven, mede in verband met de door hen in privé gegeven zekerheden en hun afhankelijkheid, voor wat betreft hun inkomen en vermogensvorming, van het door hen opgebouwde, in het concern uitgeoefende bedrijf.” [onderstrepingen van mij, A-G]
verschillende grondslagenvan de door hen ingestelde schadevergoedingsvorderingen. Anders dan de vordering van Poot was de vordering van Kip en Sloetjes gebaseerd op een door de bank jegens hen
persoonlijkgepleegde onrechtmatige daad. Kort gezegd ging het erom dat Kip en Sloetjes hun aandelen onder druk van de bank op een zeer ongunstig tijdstip hebben moeten verkopen. Daarmee was in deze zaak niet de aansprakelijkheid jegens de vennootschap het vertrekpunt, maar de rechtstreekse aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van de bank jegens de aandeelhouders persoonlijk.
definitiefwas geworden én dat dat definitief worden van de schade juist
veroorzaakt is door de bank. Dat laatste is vooral van belang: het is niet zo dat een aandeelhouder jegens wie rechtstreeks onrechtmatig is gehandeld
steedsrecht heeft op vergoeding van zijn afgeleide schade zodra deze definitief is geworden, bijvoorbeeld omdat de vennootschap in kwestie zelf niet (meer) de mogelijkheid heeft schade te verhalen. Daarvoor verschillen de mogelijke situaties te sterk. Dat het feit dat de schade van Kip en Sloetjes definitief was geworden, zoveel gewicht in de schaal legde, valt te begrijpen, omdat, als gezegd, het nu juist de bank was die dat heeft veroorzaakt. Of ook in andere zaken vergoeding van definitief ten laste van de aandeelhouder gekomen schade door hem op zelfstandige grondslag kan worden gevorderd, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. [64]
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkniet heeft toegepast, althans dat het zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het niet kenbaar op de stellingen van [eiser 2] in dit kader is ingegaan.
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkten onrechte niet heeft toegepast, omdat ook de schade van [eiser 2] een definitief karakter heeft gekregen door het ophouden te bestaan van [eiseres 1] , terwijl in zijn stellingen een beroep op (onder meer) die omstandigheid besloten lag, faalt deze. [eiser 2] miskent daarmee allereerst dat de omstandigheid dat de schade definitief is geworden, nu [eiseres 1] de schade niet meer bij DNB kan verhalen, niet
zonder meerbetekent dat hij jegens DNB aanspraak heeft op schadevergoeding. Dat hangt, als gezegd, af van de omstandigheden van het geval waarop de betrokken aandeelhouder een concreet beroep moet doen. Zo was in de situatie van Kip en Sloetjes niet alleen het definitieve karakter van de schade bepalend voor de toewijzing van de schadevergoedingsvordering, maar vooral ook de omstandigheid dat het definitief worden van de schade door de bank was veroorzaakt (randnummer 3.60). De stellingen die [eiser 2] in randnummer 11. van de procesinleiding heeft opgesomd, waarin volgens hem stellingen liggen besloten die in het genoemde arrest
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkdoor Uw Raad essentieel werden geacht (zie de hiervoor in randnummer 3.58 geciteerde rov. 3.6), zijn evenwel niet terug te vinden in de processtukken waarnaar hij verwijst.
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkniet heeft miskend. Het hof heeft de schadevergoedingsvordering van [eiser 2] namelijk, kort weergegeven, als volgt beoordeeld. In rov. 3.12 heeft het hof uitdrukkelijk naar het arrest
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijkverwezen waarna het in rov. 3.13 tot en met 3.17 is overgegaan tot een beoordeling van de schadevergoedingsvordering van [eiser 2] . Uit die overwegingen van het hof blijkt dat de vordering van [eiser 2] is gestrand op het ‘stelplicht-niveau’ (dat komt als rode draad terug in de beoordeling van het hof); [eiser 2] heeft volgens het hof, zo blijkt uit rov. 3.13, 3.15, 3.16 en 3.17 (hiervoor randnummer 2.14) onvoldoende concreet toegelicht dat de aan DNB verweten gedragingen jegens hem
in persoononrechtmatig zijn. Daarmee valt het doek voor de rechtsklacht van [eiser 2] .
Kip en Sloetjes/Rabobank Winterswijk, randnummer 3.62) waarin hij onder meer zou hebben gewezen op de verwevenheid tussen de belangen van [eiser 2] en die van [eiseres 1] , mede wat betreft zijn afhankelijkheid ten aanzien van zijn inkomen- en vermogensvorming van de door hemzelfde opgezette [eiseres 1] . Als gezegd, zijn de stellingen die [eiser 2] in randnummer 11. van de procesinleiding heeft opgesomd, niet terug te vinden in de processtukken waarnaar hij verwijst. In de processtukken waarnaar in dit onderdeel wordt verwezen, heeft [eiser 2] enkel volstaan met het opnoemen van de gedragingen van DNB die jegens hem als onrechtmatig zouden moeten worden gekwalificeerd.
Waaromdie gedragingen jegens hem in persoon onrechtmatig zijn, wordt evenwel niet (concreet) toegelicht. Ook voor het overige heeft [eiser 2] zijn betoog dat DNB jegens hem een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, niet onderbouwd. Hierop stuit de motiveringsklacht af.
onderdeel 5.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
lid 4BW maar art. 2:19
lid 6BW staat hier (namelijk: in verband met de vraag of en zo ja op welk moment [eiseres 1] is opgehouden te bestaan) centraal (randnummer 3.38). Ook voor de klacht van DNB geldt echter dat het hof in rov. 3.9 weliswaar art. 2:19
lid 4BW heeft genoemd, maar duidelijk art. 2:19
lid 6BW heeft toegepast. Het oordeel van het hof is dus juist (randnummer 3.42).