ECLI:NL:HR:2020:1265

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/01794
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij voorlopige zorgregeling en gewone verblijfplaats minderjarige

In deze zaak staat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter centraal bij een voorlopige zorgregeling voor een minderjarige die zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De moeder, woonachtig in België, stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof Den Haag, dat de Nederlandse rechter bevoegd achtte.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof en beoordeelt de klachten van de moeder over het hofarrest. De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig is om de motivering nader toe te lichten, mede vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de vader behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen. De Hoge Raad compenseert de kosten van het cassatiegeding zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01794
Datum10 juli 2020
ARREST
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats], België,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: de moeder,
advocaat: aanvankelijk S. Kousedghi en thans H.J.W. Alt,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: de vader,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/09/544787/KG ZA 17-1595 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 8 februari 2018;
het arrest in de zaak 200.234.246/01 van het gerechtshof Den Haag van 12 februari 2019.
De moeder heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. De vader heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
10 juli 2020.