Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1266

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/04641
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij zorgregeling minderjarige met gewone verblijfplaats in België

In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om een zorgregeling te treffen voor een minderjarige wiens gewone verblijfplaats in België is. De moeder, woonachtig in België, stelde beroep in cassatie in tegen een beschikking van het hof Den Haag, dat de Nederlandse rechter bevoegd achtte.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere beschikkingen van de rechtbank en het hof Den Haag voor het gedingverloop in de feitelijke instanties. De klachten van de moeder tegen de beschikking van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging van de beschikking.

De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig zijn oordeel omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Nederlandse rechter blijft bevoegd voor de zorgregeling van de minderjarige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/04641
Datum10 juli 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de vader,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikkingen in de zaak C/09/542508 van de rechtbank Den Haag van 22 december 2017, 11 januari 2018 en 16 mei 2018;
de beschikking in de zaak 200.243.315/01 van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2019.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
10 juli 2020.