Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2.1 en 2.2klagen op diverse plaatsen dat het hof (in navolging van de rechtbank) heeft miskend dat op de vader krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro de bewijslast rust ter zake van de feiten en omstandigheden die tot de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag zouden moeten leiden (zie de nrs. 2.1.1-II t/m VI, 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4 van het cassatieverzoekschrift). Het middel betoogt dat de vader dient te bewijzen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was.