In deze zaak stond centraal of bij een betrokkene met zowel een psychische stoornis als een psychogeriatrische aandoening (multiproblematiek) de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) dan wel de Wet zorg en dwang (Wzd) van toepassing is. Tevens werd beoordeeld of een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel kan worden verleend indien niet kan worden vastgesteld dat sprake is van verzet.
De betrokkene, een oudere vrouw met ernstige dementie en een psychische stoornis, verbleef sinds december 2019 vrijwillig in een GGZ-accommodatie die vanaf 1 januari 2020 alleen Wvggz-zorg verleende. De burgemeester had een crisismaatregel opgelegd vanwege het risico op ernstig letsel door vallen, waarvoor vrijheidsbeperkende maatregelen zoals een Posey-bed en fixatie in een rolstoel noodzakelijk waren.
De rechtbank oordeelde dat de Wzd van toepassing was omdat de dementie op de voorgrond stond, maar verleende toch een machtiging op grond van de Wvggz vanwege de ernst van de situatie en het ontbreken van een Wzd-afdeling. De Hoge Raad stelde dat de beoordeling welk regime van toepassing is, moet berusten op de actuele zorgbehoefte en welke problematiek op dat moment op de voorgrond staat, waarbij continuïteit van zorg in een vertrouwde omgeving een belangrijke rol speelt.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel ook kan worden verleend als niet kan worden vastgesteld dat betrokkene zich verzet, bijvoorbeeld wanneer betrokkene niet in staat is toestemming te geven en geen mentor is benoemd. Het beroep werd verworpen.