Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor poging tot doodslag door met een mes in de buik en schouder van het slachtoffer te steken. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd, waarvan tien maanden voorwaardelijk.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en de klachten verworpen, waarbij het beroep op noodweerexces werd afgewezen. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de straf van dertig maanden naar 29 maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en bevestigde het verder. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de strafkamer tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd naar 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.