Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat het hof het beroep op noodweerexces op ontoereikende gronden heeft verworpen.
(putatief) noodweer (exces)
naar buiten maandemet wilde armzwaaien (camerabeelden 5,17:27 uur en camerabeelden 2,17:27 uur). Cliënt verklaart dat aangever wild zwaaiend en bedreigend op hem afkwam. Aangever verklaart hierover bij de RHC: "
Ik was rustig toen ik hem aansprak. Ik heb niet mijn armen gezwaaid. Ik had geen reden om boos te zijn". Een duidelijke verklaring zou je zeggen.
Dat om 17.27.35 uur het slachtoffer de cafetaria binnen liep. Dat hij drukke gebaren richting de negroïde man maakte. Dat hij met zijn armen een zwaai beweging maakte. Het leek alsof hij gebaarde naar de negroïde man om mee te komen". Waarom liegt aangever hierover? (daarover later meer)
bangwas voor aangever. Zo is op de beelden te zien dat hij eerst twijfelt om achter aangever aan te lopen (camerabeelden 3, 17:27 uur). Nadat aangever hem nog een paar keer agressiever heeft gemaand om naar buiten te komen loopt hij toch achter aangever aan. Die twijfel oftewel het bang zijn is van belang A) bij de beoordeling van of er inderdaad eerder op dag een incident is geweest en B) bij de beoordeling van de hevige gemoedsbeweging.
ruziekrijgen. Aangever heeft verklaard: "
Ik deed een paar stappen achteruit en voelde een steek in mijn buik. Nee ik heb hem daarvoor niet fysiek aangeraakt, niet geslagen, niet bedreigd, helemaal niks. Ik heb hem ook niet geduwd" (pv verhoor RHC d.d. 23 december 2016).
de hoek om duwt(camerabeelden 5,17:28 uur). Waarom spreekt aangever ook hier niet de waarheid? Wat ik bovendien mis in het pv-bevindingen van de verbalisanten dat cliënt richting de ingang van het café probeert te komen maar aangever dat wil voorkomen en hem dus de hoek om duwt.
"Ik zag twee personen ruziën en vechten voor de ingang van de snackbar. Ik zag dat de Marokkaanse man de donkere man optilt en om de hoek verdween. Dan loopt de donkere man terug de snackbar in. Hij roept tegen zijn vrouw: "weg met die kinderen!". De vrouw pakt de kinderen op en vertrekt"(pv bevindingen verbalisant [verbalisant 1]).
cliënt en zijn ex-vriendin naar achteren deinzen(camerabeelden 1,17:29 -17:30 uur en camerabeelden 3/17:30 uur). Ook is op de camerabeelden te zien dat aangever het
tasjebij zich had, waar cliënt over heeft verklaard.
Op 24 januari 2016 17.28.18 uur....Gezien de houding van [slachtoffer] en de positie van zijn armen is het mogelijk dat hij op dat moment tracht iets uit zijn schoudertas te halen. Op exact datzelfde moment lijkt [verdachte] [slachtoffer] vast te pakken waarop [slachtoffer] [verdachte] van zich af duwt".
Vervolgens te 17.28.18 uur pakt [slachtoffer] met zijn linker hand zijn schoudertas. Zijn rechterarm lijkt tevens ook richting de schoudertas te gaan en [slachtoffer] buigt zich licht voorover. Vervolgens duwt [verdachte] tegen de tas aan en duwt [slachtoffer] [verdachte] vervolgens naar achteren waarbij [verdachte] de tas vast pakt".Hier zien we duidelijk de angst van cliënt voor het tasje. Waarom probeert aangever naar zijn tas te grijpen?
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad een samenvattend overzicht gegeven van mogelijke aandachtspunten voor de beoordeling van een beroep op noodweer en noodweerexces. Hier van belang zijn de volgende overwegingen van de Hoge Raad (met weglating van de voetnoten):
Ik was bang en angstig, ik wist niet wat ik moest denken. Ik was zo geschrokken van hem. Mijn vriendin en kinderen waren erbij”, en voorts (op vragen van de advocaat-generaal): “Hij trok, ik deed ook iets, hij trok, hij begon te stoeien en toen… ik weet niet. Hij wilde in zijn tas, ik was bang en geschrokken.”
hij wilde in zijn tas, ik was bang en geschrokken” en op het verweer waarin de hevige gemoedsbeweging niet (zozeer) wordt toegeschreven aan de enkele duw buiten de snackbar maar aan wat volgens de verdachte eerder die dag zou zijn gebeurd, te weten dat hij toen door de aangever was bedreigd met een vuurwapen dat de aangever tevoorschijn zou hebben gehaald uit hetzelfde tasje dat de aangever bij het bedoelde (latere) duw- en trekwerk bij zich had.