Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 juni 2019, waarin verdachte was veroordeeld voor zware mishandeling en mishandeling. Het hof had onder meer een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan verdachte ten behoeve van het slachtoffer, waarbij bij niet-betaling vervangende hechtenis werd toegepast.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor zover de vervangende hechtenis werd toegepast, en tot het bepalen dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en oordeelde dat de klachten geen aanleiding geven tot vernietiging.
Ambtshalve vernietigde de Hoge Raad het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, conform eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2020:914). Tevens bepaalde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast als vervangende sanctie bij niet-betaling van schadevergoeding.
De Hoge Raad wees erop dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 22 september 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.