Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 juni 2018. Echter, namens de verdachte zijn geen cassatiemiddelen ingediend, hetgeen een vereiste is om het beroep in behandeling te kunnen nemen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet ontvankelijk en wijst het beroep af. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 22 september 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.