ECLI:NL:HR:2020:1464

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2020
Publicatiedatum
21 september 2020
Zaaknummer
18/02596
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van cassatieberoep wegens ontbreken cassatiemiddelen

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 juni 2018. Echter, namens de verdachte zijn geen cassatiemiddelen ingediend, hetgeen een vereiste is om het beroep in behandeling te kunnen nemen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet ontvankelijk en wijst het beroep af. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 22 september 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02596
Datum22 september 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 juni 2018, nummer 23/002881-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 september 2020.