ECLI:NL:PHR:2020:824

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2020
Publicatiedatum
21 september 2020
Zaaknummer
18/02596
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 27a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen cassatiemiddelen

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf en een geldboete wegens deelname aan een criminele organisatie. Tegen dit arrest heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep is op 7 januari 2020 betekend. Echter heeft de verdachte geen schriftelijke middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Op 4 maart 2020 is een brief ontvangen waarin de advocaat van de verdachte meedeelt geen middelen te zullen indienen.

Volgens artikel 437, tweede lid, Sv kan de verdachte hierdoor niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. Deze conclusie betreft ook samenhangende zaken die op dezelfde datum worden behandeld.

De uitspraak bevestigt dat het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen leidt tot niet-ontvankelijkheid, waardoor het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/02596
Zitting23 juni 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 5 juni 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens het onder 3 bewezenverklaarde ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr en een geldboete van € 20.000,00 subsidiair 135 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/02568 en 18/02667. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 7 januari 2020 betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Op 4 maart 2020 is op de griffie van de Hoge Raad een brief ingekomen. In die brief deelt mr. J. Groenhuijsen, advocaat te Amsterdam, mee dat hij namens de verdachte geen middelen tot cassatie zal voorstellen.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG