ECLI:NL:PHR:2020:824
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen cassatiemiddelen
De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf en een geldboete wegens deelname aan een criminele organisatie. Tegen dit arrest heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep is op 7 januari 2020 betekend. Echter heeft de verdachte geen schriftelijke middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Op 4 maart 2020 is een brief ontvangen waarin de advocaat van de verdachte meedeelt geen middelen te zullen indienen.
Volgens artikel 437, tweede lid, Sv kan de verdachte hierdoor niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. Deze conclusie betreft ook samenhangende zaken die op dezelfde datum worden behandeld.
De uitspraak bevestigt dat het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen leidt tot niet-ontvankelijkheid, waardoor het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen.